16 U weet toch dat u een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont? 17 Als iemand Gods tempel vernietigt, zal God hem vernietigen, want Gods tempel is heilig – en die tempel bent u zelf. 18 Laat niemand zichzelf bedriegen. Wanneer iemand van u denkt dat hij in deze wereld wijs is, moet hij eerst dwaas worden; pas dan kan hij wijs worden. 19 Wat namelijk in deze wereld wijsheid is, is dwaasheid bij God, want er staat geschreven: ‘Hij vangt de wijzen in hun eigen sluwheid.’
1 Korinthe 3: 16-19
+8
Alliewallie
1 Korinthe 13: 1-3
1 Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, zou ik niet meer zijn dan een dreunende gong of een schallende cimbaal. 2 Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, zou ik niets zijn. 3 Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs om te worden verbrand – had ik de liefde niet, zou het mij niet baten.
+9
MariekeSpijker
1 Korinthe 10: 23-24
23 U zegt: ‘Alles is toegestaan.’ Zeker, maar niet alles is goed. Alles is toegestaan, maar niet alles is opbouwend. 24 Wees niet op uzelf gericht, maar op de ander.
+8
Van der Smash
1 Korinthe 13: 4-8a
4 De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. 5 Ze is niet grof niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan. 6 Ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. 7 Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze. 8 De liefde zal nooit vergaan.
+8
Tiekstra
1 Korinthe 13: 8b-13:
8 Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan – 9 want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt. 10 Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen. 11 Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten. 12 Nu zien we nog maar een afspiegeling, een raadselachtig beeld, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben. 13 Dit is wat blijft: geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.
+2
jelgerbijma
6 Hoor, een stem zegt: ‘Roep!’
En een stem antwoordt: ‘Wat zou ik roepen?
De mens is als gras, teer als een bloem in het veld.
7 Het gras verdort en de bloem verwelkt
wanneer de adem van de HEER erover blaast.
Ja, als gras is dit volk.’
8 Het gras verdort en de bloem verwelkt,
maar het woord van onze God houdt eeuwig stand.
Jesaja 40:6-8
+4
jelgerbijma
38 Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Een oog voor een oog en een tand voor een tand.” 39 Dit zeg Ik daarover: verzet je niet tegen wie kwaad doet, maar keer degene die je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe. 40 Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed van je wil afnemen, sta hem dan ook je bovenkleed af. 41 En als iemand je dwingt één mijl met hem mee te gaan, loop er dan twee met hem op. 42 Als iemand iets van je vraagt, geef het hem, en keer je niet af van wie geld van je wil lenen.
43 Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.” 44 Dit zeg Ik daarover: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen ; 45 alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 46 Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? Doen de tollenaars niet net zo? 47 En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Doen de heidenen niet net zo? 48 Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.
Matteüs 5:38-48
+1
jelgerbijma
13 Laten we elkaar daarom niet langer veroordelen. In plaats daarvan moet u zich voornemen uw broeder en zuster niet te laten struikelen of ten val te brengen. 14 De Heer Jezus geeft mij de vaste overtuiging dat niets op zichzelf onrein is; iets is alleen onrein voor wie het als onrein beschouwt. 15 Als u dus uw broeder of zuster in verlegenheid brengt door wat u eet, handelt u niet langer overeenkomstig de liefde. Laat hen voor wie Christus gestorven is niet verloren gaan door het voedsel dat u eet. 16 Breng het goede dat God u schenkt geen schade toe, 17 want het koninkrijk van God is geen zaak van eten en drinken, maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest. 18 Wie Christus zo dient, is God welgevallig en bij de mensen geacht. 19 Laten we daarom streven naar wat de vrede bevordert en naar wat opbouwend is voor elkaar.
Romeinen 14:13-19
+3
jelgerbijma
18 Blijf niet staan bij wat eertijds is gebeurd,
denk niet terug aan het verleden.
19 Zie, Ik ga iets nieuws verrichten,
nu ontkiemt het – heb je het nog niet gemerkt?
Ik baan een weg door de woestijn,
maak rivieren in de wildernis.
20 De wilde dieren zullen Mij eer bewijzen,
de jakhalzen en de struisvogels,
omdat Ik water schep in de woestijn
en rivieren in de wildernis;
het volk dat Ik heb uitgekozen, laat Ik drinken.
21 Dit is het volk dat Ik mij gevormd heb,
het zal mijn lof verkondigen.
Jesaja 43:18-21
+3
jelgerbijma
20 Wij zijn gezanten van Christus, God doet door ons zijn oproep. Namens Christus vragen wij u dringend: laat u met God verzoenen. 21 Ter wille van ons heeft God Hem die de zonde niet kende één gemaakt met de zonde, zodat wij in Hem rechtvaardig voor God konden worden.
1 Als Gods medewerkers sporen wij u dan ook aan: laat de goedheid die Hij u bewijst niet tevergeefs zijn. 2 God zegt: ‘Wanneer de tijd daarvoor gekomen is, luister Ik naar je, op de dag van de redding help Ik je.’ Nu is de tijd daarvoor gekomen, nu is de dag van de redding.
2 Korintiërs 5:20-6:2
+2
jelgerbijma
8 Bron van hoop voor Israël,
redder in tijden van nood,
waarom bent U als een vreemdeling in dit land,
als een reiziger die maar één nacht blijft?
9 Waarom bent U als een radeloze man,
als een soldaat die ons niet kan redden?
U bent toch in ons midden, HEER,
wij behoren U toch toe?
Laat ons niet in de steek.’
Jeremia 14:8-9
+2
jelgerbijma
6 Ik heb uw naam bekendgemaakt aan de mensen die U Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren van U, maar U hebt hen aan Mij gegeven. Ze hebben uw woord bewaard, 7 en nu begrijpen ze dat alles wat U Mij hebt gegeven, van U komt. 8 Ik heb de woorden die Ik van U ontvangen heb aan hen doorgegeven, zij hebben ze aanvaard en nu weten ze echt dat Ik van U gekomen ben, en ze geloven dat U Mij hebt gezonden.
9 Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor de mensen die U Mij hebt gegeven, omdat zij van U zijn 10 – alles wat van Mij is, is van U, en alles wat van U is, is van Mij – en omdat in hen mijn grootheid zichtbaar geworden is. 11 Ik ben al niet meer in de wereld, Ik ga naar U toe, maar zij blijven wel in de wereld. Heilige Vader, bewaar hen door uw naam, de naam die U ook aan Mij gegeven hebt, zodat zij één zijn zoals Wij één zijn.
Johannes 17:6-11
+2
jelgerbijma
18 toch zal ik juichen voor de HEER,
jubelen voor de God die mij redt.
19 God, de HEER, is mijn kracht,
Hij maakt mijn voeten snel als hinden,
Hij laat mij over toppen van bergen gaan.
Habakuk 3:18-19
+4
jelgerbijma
1 Daarna werd Jezus door de Geest meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden. 2 Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had Hij grote honger. 3 Toen kwam de beproever naar Hem toe en zei: ‘Als U de Zoon van God bent, beveel die stenen dan in broden te veranderen.’ 4 Maar Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Er staat geschreven: “De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.”’ 5 Vervolgens nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, zette Hem op het hoogste punt van de tempel 6 en zei tegen Hem: ‘Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal Hij opdracht geven om U op hun handen te dragen, zodat U uw voet niet zult stoten aan een steen.”’ 7 Jezus antwoordde: ‘Er staat ook geschreven: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’ 8 De duivel nam Hem opnieuw mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij toonde Hem alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht 9 en zei: ‘Dit alles zal ik U geven als U zich voor mij neerwerpt en mij aanbidt.’ 10 Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen Hem.”’ 11 Daarna liet de duivel Hem met rust, en meteen kwamen er engelen om Hem te dienen.
Matteüs 4:1-11
+1
jelgerbijma
22 Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt. 23 En zij niet alleen, ook wijzelf, die als voorschot de Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten in onszelf in afwachting van de openbaring dat we kinderen van God zijn: de verlossing van ons sterfelijk bestaan. 24 In deze hoop zijn we gered. Als we echter nu al zouden zien waarop we hopen, zou het geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op wat hij al kan zien? 25 Maar als wij hopen op wat we nog niet zien, blijven we in afwachting daarvan volharden. 26 En bovendien komt de Geest onze zwakheid te hulp; wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen, maar de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten. 27 God, die ons hart doorgrondt, weet wat de Geest wil zeggen, want de Geest pleit voor de heiligen overeenkomstig Gods wil.
Romeinen 8:22-27
+2
jelgerbijma
1 Voor de koorleider. Een psalm van David, 2 toen de profeet Natan hem had bezocht, nadat hij met Batseba geslapen had.
3 Wees mij genadig, God, in uw trouw,
U bent vol erbarmen, wis mijn wandaden uit,
4 was mij schoon van alle schuld,
reinig mij van mijn zonden.
5 Ik ken mijn wandaden,
ik ben mij steeds van mijn zonden bewust,
6 tegen U, tegen U alleen heb ik gezondigd,
ik heb gedaan wat slecht is in uw ogen.
Laat uw uitspraak rechtvaardig zijn
en uw oordeel zuiver.
7 Ik was al schuldig toen ik werd geboren,
al zondig toen mijn moeder mij ontving,
8 maar U wilt dat waarheid mij vervult,
U leert mij wijsheid, diep in mijn hart.
9 Zuiver mij met majoraan, dan word ik rein,
was mij en ik word witter dan sneeuw.
10 Laat mij vreugde en blijdschap horen:
U hebt mij gebroken, laat mij ook juichen.
11 Sluit uw ogen voor mijn zonden
en doe heel mijn schuld teniet.
12 Schep, o God, een zuiver hart in mij,
vernieuw mijn geest, maak mij standvastig,
13 verban mij niet uit uw nabijheid,
neem uw heilige geest niet van mij weg.
14 Red mij, geef mij de vreugde van vroeger,
de kracht van een sterke geest.
15 Dan wil ik verdwaalden uw wegen leren,
en zullen zondaars terugkeren tot U.
16 U bent de God die mij redt,
bevrijd mij, God, van de dreigende dood,
en ik zal juichen om uw gerechtigheid.
17 Ontsluit mijn lippen, Heer,
en mijn mond zal uw lof verkondigen.
18 U wilt van mij geen offerdieren,
in brandoffers schept U geen behagen.
19 Het offer voor God is een gebroken geest;
een gebroken en verbrijzeld hart
zult U, God, niet verachten.
20 Wees Sion welgezind en schenk het voorspoed,
bouw de muren van Jeruzalem weer op.
21 Dan zult U de juiste offers aanvaarden,
offers in hun geheel verbrand,
dan legt men stieren op uw altaar.
Psalmen 51
+0
jelgerbijma
15 Zo zal het blijven totdat van boven
een geest over ons wordt uitgegoten.
Dan zal de woestijn een boomgaard worden,
een boomgaard die is als een woud.
16 Het recht zal zich vestigen in de woestijn,
gerechtigheid wonen in de boomgaard.
17 Dan zal de gerechtigheid vrede stichten,
ze brengt rust en vertrouwen voor altijd.
18 Mijn volk zal wonen in een oase van vrede,
een veilige woonplaats,
een oord van rust en zorgeloosheid.
19 Maar het woud van de vijand wordt door hagel geteisterd,
hun stad wordt volledig neergehaald.
20 Gelukkig zijn jullie
die zaaien overal waar water is,
die rund en ezel vrij rond laten lopen.
Jesaja 32:15-20
+0
jelgerbijma
8 De Levieten lazen het boek met de wet van God duidelijk voor en gaven er uitleg bij; zo verschaften ze inzicht in het gelezene. 9 Nehemia – hij was de landvoogd –, Ezra, de priester en schrijver, en de Levieten die het volk uitleg gaven, zeiden tegen iedereen: ‘Deze dag is gewijd aan de HEER, uw God; rouw dus niet, en huil niet!’ Het hele volk was namelijk in tranen uitgebarsten toen het de woorden van de wet hoorde. 10 Ezra zei tegen hen: ‘Maak een feestmaal klaar met lekker eten en drinken, en deel ervan uit aan wie niets heeft, want deze dag is gewijd aan onze Heer. Wees niet bedroefd, want de vreugde die de HEER u geeft, is uw kracht.’ 11 De Levieten maanden het volk tot stilte. Ze zeiden: ‘Wees stil, dit is een heilige dag, wees dus niet bedroefd.’ 12 Toen ging iedereen eten en drinken. Ze deelden alles met elkaar en maakten er een groot en vrolijk feest van. Ze hadden begrepen wat hun was verteld.
Nehemia 8:8-12
+0
jelgerbijma
3 Geprezen zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader die zich over ons ontfermt, de God die ons altijd troost 4 en ons in al onze ellende moed geeft, zodat wij door de troost die wijzelf van God ontvangen, anderen in al hun ellende moed kunnen geven. 5 Want zoals wij volop delen in het lijden van Christus, zo delen wij volop in de troost die God ons door Christus geeft. 6 Ondervinden we tegenspoed, dan is het opdat u bemoedigd en gered wordt. Worden we bemoedigd, dan is het opdat u de moed krijgt te volharden in hetzelfde lijden als wij ondergaan. 7 De hoop die wij voor u hebben is dus gegrond: we weten dat zoals u deelt in ons lijden, u ook deelt in de troost die ons gegeven wordt.
2 Korintiërs 1:3-7
+3
jelgerbijma
1 Geloof is de zekerheid dat alles waarop we hopen werkelijkheid wordt, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien. 2 Om hun geloof werden de mensen uit vroeger tijden geprezen. 3 Door geloof komen we tot het inzicht dat het heelal door het woord van God geordend is, dat dus het zichtbare is ontstaan uit het niet-zichtbare.
4 Door zijn geloof had het offer dat Abel aan God bracht meer waarde dan dat van Kaïn. Over Abel wordt dan ook lovend gesproken als over een rechtvaardige – God zelf liet zich prijzend uit over zijn gaven –, en door zijn geloof klinkt zijn stem nog steeds, ook al is hij gestorven. 5 Door zijn geloof werd Henoch naar elders overgebracht, om niet te hoeven sterven; hij werd niet meer gevonden, omdat God hem had weggenomen. Hij stond immers al vóór zijn opneming bekend als iemand die God welgevallig was. 6 Zonder geloof is het onmogelijk God vreugde te geven; wie Hem wil naderen moet immers geloven dat Hij bestaat en dat Hij beloont wie Hem zoeken. 7 Door zijn geloof bouwde Noach, toen God hem een aanwijzing had gegeven over wat er stond te gebeuren maar nog voor niemand zichtbaar was, vol ontzag een ark om zijn familie te redden. Zo veroordeelde hij de wereld en viel de gerechtigheid die voortkomt uit geloof hem als erfenis ten deel.
8 Door zijn geloof ging Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam op weg naar een plaats die hij als erfenis zou ontvangen, en hij ging op weg zonder te weten waarheen. 9 Door zijn geloof trok hij naar het land dat hem beloofd was maar hem nog niet toebehoorde. Samen met Isaak en Jakob, mede-erfgenamen van de belofte, woonde hij daar in tenten 10 omdat hij uitzag naar de stad met fundamenten, door God zelf ontworpen en gebouwd.
16 U weet toch dat u een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont? 17 Als iemand Gods tempel vernietigt, zal God hem vernietigen, want Gods tempel is heilig – en die tempel bent u zelf. 18 Laat niemand zichzelf bedriegen. Wanneer iemand van u denkt dat hij in deze wereld wijs is, moet hij eerst dwaas worden; pas dan kan hij wijs worden. 19 Wat namelijk in deze wereld wijsheid is, is dwaasheid bij God, want er staat geschreven: ‘Hij vangt de wijzen in hun eigen sluwheid.’
1 Korinthe 3: 16-19
1 Korinthe 13: 1-3
1 Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, zou ik niet meer zijn dan een dreunende gong of een schallende cimbaal. 2 Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, zou ik niets zijn. 3 Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs om te worden verbrand – had ik de liefde niet, zou het mij niet baten.
1 Korinthe 10: 23-24
23 U zegt: ‘Alles is toegestaan.’ Zeker, maar niet alles is goed. Alles is toegestaan, maar niet alles is opbouwend. 24 Wees niet op uzelf gericht, maar op de ander.
1 Korinthe 13: 4-8a
4 De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. 5 Ze is niet grof niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan. 6 Ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. 7 Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze. 8 De liefde zal nooit vergaan.
1 Korinthe 13: 8b-13:
8 Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan – 9 want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt. 10 Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen. 11 Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten. 12 Nu zien we nog maar een afspiegeling, een raadselachtig beeld, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben. 13 Dit is wat blijft: geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.
6 Hoor, een stem zegt: ‘Roep!’
En een stem antwoordt: ‘Wat zou ik roepen?
De mens is als gras, teer als een bloem in het veld.
7 Het gras verdort en de bloem verwelkt
wanneer de adem van de HEER erover blaast.
Ja, als gras is dit volk.’
8 Het gras verdort en de bloem verwelkt,
maar het woord van onze God houdt eeuwig stand.
Jesaja 40:6-8
38 Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Een oog voor een oog en een tand voor een tand.” 39 Dit zeg Ik daarover: verzet je niet tegen wie kwaad doet, maar keer degene die je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe. 40 Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed van je wil afnemen, sta hem dan ook je bovenkleed af. 41 En als iemand je dwingt één mijl met hem mee te gaan, loop er dan twee met hem op. 42 Als iemand iets van je vraagt, geef het hem, en keer je niet af van wie geld van je wil lenen.
43 Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.” 44 Dit zeg Ik daarover: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen ; 45 alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 46 Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? Doen de tollenaars niet net zo? 47 En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Doen de heidenen niet net zo? 48 Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.
Matteüs 5:38-48
13 Laten we elkaar daarom niet langer veroordelen. In plaats daarvan moet u zich voornemen uw broeder en zuster niet te laten struikelen of ten val te brengen. 14 De Heer Jezus geeft mij de vaste overtuiging dat niets op zichzelf onrein is; iets is alleen onrein voor wie het als onrein beschouwt. 15 Als u dus uw broeder of zuster in verlegenheid brengt door wat u eet, handelt u niet langer overeenkomstig de liefde. Laat hen voor wie Christus gestorven is niet verloren gaan door het voedsel dat u eet. 16 Breng het goede dat God u schenkt geen schade toe, 17 want het koninkrijk van God is geen zaak van eten en drinken, maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest. 18 Wie Christus zo dient, is God welgevallig en bij de mensen geacht. 19 Laten we daarom streven naar wat de vrede bevordert en naar wat opbouwend is voor elkaar.
Romeinen 14:13-19
18 Blijf niet staan bij wat eertijds is gebeurd,
denk niet terug aan het verleden.
19 Zie, Ik ga iets nieuws verrichten,
nu ontkiemt het – heb je het nog niet gemerkt?
Ik baan een weg door de woestijn,
maak rivieren in de wildernis.
20 De wilde dieren zullen Mij eer bewijzen,
de jakhalzen en de struisvogels,
omdat Ik water schep in de woestijn
en rivieren in de wildernis;
het volk dat Ik heb uitgekozen, laat Ik drinken.
21 Dit is het volk dat Ik mij gevormd heb,
het zal mijn lof verkondigen.
Jesaja 43:18-21
20 Wij zijn gezanten van Christus, God doet door ons zijn oproep. Namens Christus vragen wij u dringend: laat u met God verzoenen. 21 Ter wille van ons heeft God Hem die de zonde niet kende één gemaakt met de zonde, zodat wij in Hem rechtvaardig voor God konden worden.
1 Als Gods medewerkers sporen wij u dan ook aan: laat de goedheid die Hij u bewijst niet tevergeefs zijn. 2 God zegt: ‘Wanneer de tijd daarvoor gekomen is, luister Ik naar je, op de dag van de redding help Ik je.’ Nu is de tijd daarvoor gekomen, nu is de dag van de redding.
2 Korintiërs 5:20-6:2
8 Bron van hoop voor Israël,
redder in tijden van nood,
waarom bent U als een vreemdeling in dit land,
als een reiziger die maar één nacht blijft?
9 Waarom bent U als een radeloze man,
als een soldaat die ons niet kan redden?
U bent toch in ons midden, HEER,
wij behoren U toch toe?
Laat ons niet in de steek.’
Jeremia 14:8-9
6 Ik heb uw naam bekendgemaakt aan de mensen die U Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren van U, maar U hebt hen aan Mij gegeven. Ze hebben uw woord bewaard, 7 en nu begrijpen ze dat alles wat U Mij hebt gegeven, van U komt. 8 Ik heb de woorden die Ik van U ontvangen heb aan hen doorgegeven, zij hebben ze aanvaard en nu weten ze echt dat Ik van U gekomen ben, en ze geloven dat U Mij hebt gezonden.
9 Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor de mensen die U Mij hebt gegeven, omdat zij van U zijn 10 – alles wat van Mij is, is van U, en alles wat van U is, is van Mij – en omdat in hen mijn grootheid zichtbaar geworden is. 11 Ik ben al niet meer in de wereld, Ik ga naar U toe, maar zij blijven wel in de wereld. Heilige Vader, bewaar hen door uw naam, de naam die U ook aan Mij gegeven hebt, zodat zij één zijn zoals Wij één zijn.
Johannes 17:6-11
18 toch zal ik juichen voor de HEER,
jubelen voor de God die mij redt.
19 God, de HEER, is mijn kracht,
Hij maakt mijn voeten snel als hinden,
Hij laat mij over toppen van bergen gaan.
Habakuk 3:18-19
1 Daarna werd Jezus door de Geest meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden. 2 Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had Hij grote honger. 3 Toen kwam de beproever naar Hem toe en zei: ‘Als U de Zoon van God bent, beveel die stenen dan in broden te veranderen.’ 4 Maar Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Er staat geschreven: “De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.”’ 5 Vervolgens nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, zette Hem op het hoogste punt van de tempel 6 en zei tegen Hem: ‘Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal Hij opdracht geven om U op hun handen te dragen, zodat U uw voet niet zult stoten aan een steen.”’ 7 Jezus antwoordde: ‘Er staat ook geschreven: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’ 8 De duivel nam Hem opnieuw mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij toonde Hem alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht 9 en zei: ‘Dit alles zal ik U geven als U zich voor mij neerwerpt en mij aanbidt.’ 10 Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen Hem.”’ 11 Daarna liet de duivel Hem met rust, en meteen kwamen er engelen om Hem te dienen.
Matteüs 4:1-11
22 Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt. 23 En zij niet alleen, ook wijzelf, die als voorschot de Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten in onszelf in afwachting van de openbaring dat we kinderen van God zijn: de verlossing van ons sterfelijk bestaan. 24 In deze hoop zijn we gered. Als we echter nu al zouden zien waarop we hopen, zou het geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op wat hij al kan zien? 25 Maar als wij hopen op wat we nog niet zien, blijven we in afwachting daarvan volharden. 26 En bovendien komt de Geest onze zwakheid te hulp; wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen, maar de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten. 27 God, die ons hart doorgrondt, weet wat de Geest wil zeggen, want de Geest pleit voor de heiligen overeenkomstig Gods wil.
Romeinen 8:22-27
1 Voor de koorleider. Een psalm van David, 2 toen de profeet Natan hem had bezocht, nadat hij met Batseba geslapen had.
3 Wees mij genadig, God, in uw trouw,
U bent vol erbarmen, wis mijn wandaden uit,
4 was mij schoon van alle schuld,
reinig mij van mijn zonden.
5 Ik ken mijn wandaden,
ik ben mij steeds van mijn zonden bewust,
6 tegen U, tegen U alleen heb ik gezondigd,
ik heb gedaan wat slecht is in uw ogen.
Laat uw uitspraak rechtvaardig zijn
en uw oordeel zuiver.
7 Ik was al schuldig toen ik werd geboren,
al zondig toen mijn moeder mij ontving,
8 maar U wilt dat waarheid mij vervult,
U leert mij wijsheid, diep in mijn hart.
9 Zuiver mij met majoraan, dan word ik rein,
was mij en ik word witter dan sneeuw.
10 Laat mij vreugde en blijdschap horen:
U hebt mij gebroken, laat mij ook juichen.
11 Sluit uw ogen voor mijn zonden
en doe heel mijn schuld teniet.
12 Schep, o God, een zuiver hart in mij,
vernieuw mijn geest, maak mij standvastig,
13 verban mij niet uit uw nabijheid,
neem uw heilige geest niet van mij weg.
14 Red mij, geef mij de vreugde van vroeger,
de kracht van een sterke geest.
15 Dan wil ik verdwaalden uw wegen leren,
en zullen zondaars terugkeren tot U.
16 U bent de God die mij redt,
bevrijd mij, God, van de dreigende dood,
en ik zal juichen om uw gerechtigheid.
17 Ontsluit mijn lippen, Heer,
en mijn mond zal uw lof verkondigen.
18 U wilt van mij geen offerdieren,
in brandoffers schept U geen behagen.
19 Het offer voor God is een gebroken geest;
een gebroken en verbrijzeld hart
zult U, God, niet verachten.
20 Wees Sion welgezind en schenk het voorspoed,
bouw de muren van Jeruzalem weer op.
21 Dan zult U de juiste offers aanvaarden,
offers in hun geheel verbrand,
dan legt men stieren op uw altaar.
Psalmen 51
15 Zo zal het blijven totdat van boven
een geest over ons wordt uitgegoten.
Dan zal de woestijn een boomgaard worden,
een boomgaard die is als een woud.
16 Het recht zal zich vestigen in de woestijn,
gerechtigheid wonen in de boomgaard.
17 Dan zal de gerechtigheid vrede stichten,
ze brengt rust en vertrouwen voor altijd.
18 Mijn volk zal wonen in een oase van vrede,
een veilige woonplaats,
een oord van rust en zorgeloosheid.
19 Maar het woud van de vijand wordt door hagel geteisterd,
hun stad wordt volledig neergehaald.
20 Gelukkig zijn jullie
die zaaien overal waar water is,
die rund en ezel vrij rond laten lopen.
Jesaja 32:15-20
8 De Levieten lazen het boek met de wet van God duidelijk voor en gaven er uitleg bij; zo verschaften ze inzicht in het gelezene. 9 Nehemia – hij was de landvoogd –, Ezra, de priester en schrijver, en de Levieten die het volk uitleg gaven, zeiden tegen iedereen: ‘Deze dag is gewijd aan de HEER, uw God; rouw dus niet, en huil niet!’ Het hele volk was namelijk in tranen uitgebarsten toen het de woorden van de wet hoorde. 10 Ezra zei tegen hen: ‘Maak een feestmaal klaar met lekker eten en drinken, en deel ervan uit aan wie niets heeft, want deze dag is gewijd aan onze Heer. Wees niet bedroefd, want de vreugde die de HEER u geeft, is uw kracht.’ 11 De Levieten maanden het volk tot stilte. Ze zeiden: ‘Wees stil, dit is een heilige dag, wees dus niet bedroefd.’ 12 Toen ging iedereen eten en drinken. Ze deelden alles met elkaar en maakten er een groot en vrolijk feest van. Ze hadden begrepen wat hun was verteld.
Nehemia 8:8-12
3 Geprezen zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader die zich over ons ontfermt, de God die ons altijd troost 4 en ons in al onze ellende moed geeft, zodat wij door de troost die wijzelf van God ontvangen, anderen in al hun ellende moed kunnen geven. 5 Want zoals wij volop delen in het lijden van Christus, zo delen wij volop in de troost die God ons door Christus geeft. 6 Ondervinden we tegenspoed, dan is het opdat u bemoedigd en gered wordt. Worden we bemoedigd, dan is het opdat u de moed krijgt te volharden in hetzelfde lijden als wij ondergaan. 7 De hoop die wij voor u hebben is dus gegrond: we weten dat zoals u deelt in ons lijden, u ook deelt in de troost die ons gegeven wordt.
2 Korintiërs 1:3-7
1 Geloof is de zekerheid dat alles waarop we hopen werkelijkheid wordt, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien. 2 Om hun geloof werden de mensen uit vroeger tijden geprezen. 3 Door geloof komen we tot het inzicht dat het heelal door het woord van God geordend is, dat dus het zichtbare is ontstaan uit het niet-zichtbare.
4 Door zijn geloof had het offer dat Abel aan God bracht meer waarde dan dat van Kaïn. Over Abel wordt dan ook lovend gesproken als over een rechtvaardige – God zelf liet zich prijzend uit over zijn gaven –, en door zijn geloof klinkt zijn stem nog steeds, ook al is hij gestorven. 5 Door zijn geloof werd Henoch naar elders overgebracht, om niet te hoeven sterven; hij werd niet meer gevonden, omdat God hem had weggenomen. Hij stond immers al vóór zijn opneming bekend als iemand die God welgevallig was. 6 Zonder geloof is het onmogelijk God vreugde te geven; wie Hem wil naderen moet immers geloven dat Hij bestaat en dat Hij beloont wie Hem zoeken. 7 Door zijn geloof bouwde Noach, toen God hem een aanwijzing had gegeven over wat er stond te gebeuren maar nog voor niemand zichtbaar was, vol ontzag een ark om zijn familie te redden. Zo veroordeelde hij de wereld en viel de gerechtigheid die voortkomt uit geloof hem als erfenis ten deel.
8 Door zijn geloof ging Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam op weg naar een plaats die hij als erfenis zou ontvangen, en hij ging op weg zonder te weten waarheen. 9 Door zijn geloof trok hij naar het land dat hem beloofd was maar hem nog niet toebehoorde. Samen met Isaak en Jakob, mede-erfgenamen van de belofte, woonde hij daar in tenten 10 omdat hij uitzag naar de stad met fundamenten, door God zelf ontworpen en gebouwd.
Hebreeën 11:1-10