Heer, maak wie u liefhebben onstuitbaar als de opgaande zon!
Rechters 5:31
+7
jelgerbijma
20 ‘Ook al hebt u gezondigd,’ antwoordde Samuel, ‘u hoeft niet bang te zijn zolang u de HEER maar trouw blijft en Hem dient met heel uw hart. 21 Dwaal niet af om achter iets aan te lopen dat niets oplevert en niet bevrijdt, omdat het niets is. 22 Ter wille van zijn grote naam zal de HEER zijn volk immers niet in de steek laten, want Hij heeft zelf besloten om u tot zijn volk te maken. 23 En hetzelfde geldt voor mij: ook ik moet niet zondigen tegen de HEER en ik moet zeker niet ophouden voor u te bidden en u het goede en rechte pad te wijzen. 24 Dus: heb ontzag voor de HEER en dien Hem oprecht, met heel uw hart. U hebt immers zelf ervaren welke grootse daden Hij voor u heeft verricht.
1 Samuel 12:20-24
+6
jelgerbijma
1 Voor de koorleider. Van David, de dienaar van de HEER. Hij sprak de woorden van dit lied tot de HEER toen de HEER hem aan de greep van zijn vijanden had ontrukt, ook aan die van Saul. 2 Hij zei:
Ik heb U lief, HEER, mijn sterkte,
3 HEER, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder,
God, mijn steenrots, bij U kan ik schuilen,
mijn schild, kracht die mij redt, mijn burcht.
4 Ik roep: ‘Geloofd zij de HEER,’
want ik ben van mijn vijanden verlost.
5 Mij omsloten de banden van de dood,
de kolkende afgrond joeg mij angst aan,
6 de banden van het dodenrijk omklemden mij,
op mijn weg lagen de valstrikken van de dood.
7 In mijn nood riep ik tot de HEER,
ik schreeuwde naar mijn God om hulp.
In zijn paleis hoorde Hij mijn stem,
mijn roepen bereikte zijn oren.
8 Toen schudde en schokte de aarde,
de bergen trilden op hun grondvesten,
beefden omdat Hij vlamde van woede,
9 rook steeg op uit zijn neus,
verterend vuur kwam uit zijn mond,
Hij spuwde hete as.
10 Hij schoof de hemel open en daalde af,
duisternis onder zijn voeten,
11 Hij besteeg de cherub en vloog,
zwevend op de vleugels van de wind.
12 Hij maakte van het donker zijn schuilplaats,
trok een tent om zich heen
van duister water, dichte wolken.
13 Een vuurgloed ging voor Hem uit,
wolken joegen voort, hagel en gloeiende as.
14 De donder van de HEER klonk aan de hemel,
de Allerhoogste verhief zijn stem:
hagel en gloeiende as.
15 Hij schoot zijn pijlen en sloeg de vijanden uiteen,
wierp zijn bliksemschichten en verdreef hen.
16 De beddingen van het water werden zichtbaar,
de grondvesten van de wereld kwamen bloot
door uw dreigende blik, HEER,
door de briesende adem uit uw neus.
17 Hij bood hulp van omhoog, greep mij vast
en trok mij op uit de woeste wateren,
18 ontrukte mij aan mijn machtige vijand,
aan mijn haters, die sterker waren dan ik.
19 Op de dag van mijn ondergang vielen zij aan,
maar de HEER was mij tot steun.
20 Hij leidde mij weg uit de nood en gaf mij ruimte,
bevrijdde mij, omdat Hij mij liefhad.
21 De HEER heeft mijn onschuld vergolden,
mij beloond voor mijn reine handen:
22 ik volgde de wegen die de HEER had gewezen
en werd mijn God niet ontrouw,
23 zijn voorschriften hield ik voor ogen,
zijn wetten wees ik nooit af.
24 Ik was Hem volkomen toegewijd
en hoedde mij steeds voor het kwaad,
25 daarom heeft de HEER mijn onschuld beloond,
Hij zag mijn reine handen.
26 U bent trouw voor de trouwe,
volmaakt voor de volmaakte,
27 zuiver voor de zuivere,
maar voor de sluwe ongrijpbaar.
28 U bent de redder van het vertrapte volk,
wie zich hoog wanen, brengt U ten val.
29 U bent het die mijn lamp doet schijnen,
U, HEER, mijn God, verlicht mijn duisternis,
30 met U storm ik af op een legerbende,
met mijn God spring ik over de hoogste muur.
31 Gods weg is volmaakt,
het woord van de HEER is zuiver,
een schild is Hij
voor allen die bij Hem schuilen.
32 Wie anders is God dan de HEER,
wie anders een rots dan onze God?
33 De God die mij met kracht omgordt,
leidt mij op een volmaakte weg,
34 Hij geeft mij voeten snel als hinden,
doet mij op toppen van bergen staan,
35 oefent mijn handen voor de strijd –
mijn armen spannen de bronzen boog.
36 U was het schild dat mij redde,
uw rechterhand ondersteunde mij,
uw woord maakte mij sterk,
37 U baande de weg voor mijn voeten,
ik wankelde niet.
38 Ik achtervolgde mijn vijanden, haalde hen in
en keerde niet terug voor ik hen had vernietigd,
39 ik verpletterde hen, ze stonden niet meer op,
dood lagen ze onder mijn voeten.
40 U hebt mij omgord met kracht voor de strijd,
mijn tegenstanders voor mij doen buigen,
41 U liet mij de rug van mijn vijanden zien,
mijn haters, ik roeide ze uit.
42 Ze schreeuwden om hulp, maar er was geen redder,
ze riepen de HEER, maar Hij antwoordde niet.
43 Ik verpulverde hen tot stof in de wind,
vaagde hen weg als vuil van de straat.
44 U bevrijdde mij van een opstandig volk,
stelde mij aan tot hoofd van de naties.
Een volk dat ik niet kende, onderwierp zich,
45 gehoorzaamde mij zodra het van mij hoorde.
Vreemdelingen toonden zich onderdanig,
46 vreemde volken verloren hun kracht,
bevend kwamen zij uit hun burchten.
47 De HEER leeft, geprezen zij mijn rots,
hoogverheven is God, mijn redder.
48 De God die mij wraak liet nemen,
dwong volken op de knieën,
49 bevrijdde mij van mijn vijanden,
verhief mij boven mijn tegenstanders,
ontrukte mij aan mannen van geweld.
50 Daarom wil ik U prijzen te midden van de volken, HEER,
een loflied zingen tot eer van uw naam.
51 Hij schenkt zijn koning grote overwinningen,
betoont zich trouw aan zijn gezalfde,
aan David en zijn nageslacht, voor altijd.
Psalmen 18
+5
jelgerbijma
1 Hier is mijn dienaar, hem zal Ik steunen,
hij is mijn uitverkorene, in hem vind Ik vreugde,
Ik heb hem met mijn geest vervuld.
Hij zal alle volken het recht doen kennen.
2 Hij schreeuwt niet, hij verheft zijn stem niet,
hij roept niet luidkeels in het openbaar;
3 het geknakte riet breekt hij niet af,
de kwijnende vlam zal hij niet doven.
Het recht zal hij zuiver doen kennen.
4 Hij zal niet uitdoven en niet breken
tot hij op aarde het recht heeft gevestigd;
de eilanden zien naar zijn onderricht uit.
Jesaja 42:1-4
+3
jelgerbijma
1 Toen Jezus geboren was, in Betlehem in Judea, tijdens de regering van koning Herodes, kwamen er magiërs uit het Oosten in Jeruzalem aan. 2 Ze vroegen: ‘Waar is de koning van de Joden die onlangs geboren is? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om Hem te aanbidden.’ 3 Koning Herodes schrok hevig toen hij dit hoorde, en heel Jeruzalem met hem. 4 Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk samen om aan hen te vragen waar de messias geboren zou worden. 5 ‘In Betlehem in Judea,’ zeiden ze tegen hem, ‘want zo staat het geschreven bij de profeet: 6 “En jij, Betlehem in het land van Juda, bent zeker niet de minste onder de leiders van Juda, want uit jou komt een leider voort die mijn volk Israлl zal hoeden.”’ 7 Daarop riep Herodes in het geheim de magiлrs bij zich; hij wilde precies van hen weten wanneer de ster zichtbaar geworden was, 8 en stuurde hen vervolgens naar Betlehem met de woorden: ‘Stel een nauwkeurig onderzoek in naar het kind. Stuur mij bericht zodra u het gevonden hebt, zodat ook ik erheen kan gaan om het te aanbidden.’ 9 Nadat ze de koning hadden aangehoord gingen ze op weg, en nu ging de ster die ze hadden zien opgaan voor hen uit, totdat hij stil bleef staan boven de plaats waar het kind was. 10 Toen ze de ster zagen, werden ze vervuld van diepe vreugde. 11 Ze gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich in aanbidding voor het kind neer. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het geschenken aan: goud en wierook en mirre. 12 En omdat ze in een droom de aanwijzing hadden gekregen dat ze niet naar Herodes terug moesten gaan, reisden ze via een andere route terug naar hun land.
Matteüs 2:1-12
+5
jelgerbijma
3 Mogen liefde en trouw je nooit verlaten,
wind ze om je hals,
schrijf ze in je hart.
4 God en de mensen zullen je genegen zijn
en je zult waardering ondervinden.
5 Vertrouw op de HEER met heel je hart,
steun niet op eigen inzicht.
6 Denk aan Hem bij alles wat je doet,
dan baant Hij voor jou de weg.
Spreuken 3:3-6
+3
jelgerbijma
15 Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen voorspoed en tegenspoed, tussen leven en dood. 16 Wanneer u zich houdt aan de geboden van de HEER, uw God, zoals ik ze u vandaag heb gegeven, door Hem lief te hebben, door de weg te volgen die Hij wijst, en zijn geboden, wetten en regels in acht te nemen, dan zult u in leven blijven en in aantal toenemen, en dan zal de HEER, uw God, u zegenen in het land dat u in bezit zult nemen. 17 Maar als u Hem de rug toekeert en weigert te luisteren, als u zich ertoe laat verleiden neer te knielen voor andere goden en die te vereren, 18 dan zeg ik u op voorhand dat u te gronde zult gaan. Dan zal u aan de overkant van de Jordaan, in het land dat u in bezit zult nemen, geen lang leven beschoren zijn. 19 Ik roep vandaag hemel en aarde als getuigen op: u staat voor de keuze tussen leven en dood, tussen zegen en vloek. Kies voor het leven, voor uw eigen toekomst en die van uw nakomelingen, 20 door de HEER, uw God, lief te hebben, Hem te gehoorzamen en Hem toegedaan te blijven. Dan zult u lang blijven wonen in het land dat Hij uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft beloofd.’
Deuteronomium 30:15-20
+5
jelgerbijma
5 Toen Hij Kafarnaüm binnenging, kwam er een centurio naar Hem toe die Hem om hulp smeekte. 6 ‘Heer,’ zei hij, ‘mijn knecht ligt thuis verlamd op bed en lijdt hevige pijn.’ 7 Jezus antwoordde hem: ‘Ik zal meegaan en hem genezen.’ 8 Daarop zei de centurio: ‘Heer, ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt. Spreek slechts een enkel woord en mijn knecht zal genezen. 9 Ook ik ben iemand die onder andermans gezag staat en zelf weer soldaten onder zich heeft, en als ik tegen een soldaat zeg: “Ga!”, dan gaat hij, en tegen een andere: “Kom!”, dan komt hij, en als ik tegen mijn slaaf zeg: “Doe dit!”, dan doet hij het.’ 10 Toen Jezus dit hoorde, verbaasde Hij zich en Hij zei tegen degenen die Hem volgden: ‘Ik verzeker jullie: bij niemand in Israël heb Ik zo’n groot geloof gevonden. 11 Ik zeg jullie dat velen uit het oosten en uit het westen zullen komen en met Abraham, Isaak en Jakob zullen aanliggen bij het feestmaal in het koninkrijk van de hemel, 12 maar de erfgenamen van het koninkrijk zullen worden verbannen naar de uiterste duisternis; daar zullen zij jammeren en knarsetanden.’ 13 Tegen de centurio zei Jezus: ‘Ga naar huis. Zoals u het geloofd hebt, zo zal het gebeuren.’ Op hetzelfde moment genas zijn knecht.
Matteüs 8:5-13
+2
jelgerbijma
17 En ik? Ik roep tot God,
de HEER zal mij redden.
18 In de avond, in de morgen, in de middag
klaag ik en zucht ik,
en Hij hoort mijn stem.
19 Hij zal mij verlossen en in veiligheid brengen,
mijn vijanden zal Hij afweren,
al zijn ze met velen tegen mij.
Psalmen 55:17-19
+6
jelgerbijma
7 U effent het pad voor de rechtvaardige,
U baant voor hem een rechte weg.
8 Ook wij verlaten ons op U, HEER:
wij gaan de paden van uw recht.
Ons diepste verlangen is het
uw naam te noemen, U aan te roepen.
9 Reikhalzend kijk ik naar U uit,
zelfs ’s nachts verlang ik naar U.
Wanneer U een oordeel over de wereld velt,
zullen de mensen op aarde gerechtigheid leren.
10 Maar niet de goddeloze: al wordt hij gespaard,
gerechtigheid zal hij nooit leren.
In het land van het recht doet hij slechts onrecht;
de macht van de HEER merkt hij niet op.
11 HEER, uw opgeheven hand ziet hij niet.
Laat hem dan tot zijn schande zien
hoe U strijdt voor uw volk,
hoe het vuur uw vijand verteert.
12 HEER, geef ons vrede,
alles wat wij deden, hebt U voor ons gedaan.
13 HEER, onze God,
andere heren hebben ons in hun macht gehad,
maar alleen uw naam roepen wij aan.
Jesaja 26:7-13
+18
Van der Smash
Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw aardse begeerten vrij spel te geven, maar dien elkaar in liefde.
Galaten 5:13
Sluit mooi aan bij het bezinningsweekend.
Meld je aan!
+5
jelgerbijma
9 De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen, en hij zei: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. 30 Hij is het over wie ik zei: “Na mij komt iemand die meer is dan ik, want Hij was er vóór mij.” 31 Ook ik wist niet wie Hij was, maar ik kwam met water dopen opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden.’ 32 En Johannes getuigde: ‘Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen, en Hij bleef op Hem rusten. 33 Nog wist ik niet wie Hij was, maar Hij die mij gezonden heeft om met water te dopen, zei tegen mij: “Wanneer je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is dat degene die doopt met de heilige Geest.” 34 En dat heb ik gezien, en ik getuig dat Hij de Zoon van God is.’
Johannes 1:29-34
+4
jelgerbijma
20 Nu was er ook een aantal Grieken naar het feest gekomen om God te aanbidden. 21 Zij gingen naar Filippus uit Betsaпda in Galilea, en vroegen of ze Jezus konden zien. 22 Filippus ging dat tegen Andreas zeggen en samen gingen ze naar Jezus. 23 Jezus zei: ‘De tijd is gekomen dat de Mensenzoon tot majesteit wordt verheven. 24 Werkelijk, Ik verzeker u, als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft brengt hij veel vruchten voort. 25 Wie zich aan zijn leven vastklampt, verliest het, maar wie in deze wereld zijn leven loslaat, behoudt het voor het eeuwige leven. 26 Wie Mij dient moet Mij volgen: waar Ik ben zal ook mijn dienaar zijn, en wie Mij dient zal door de Vader geлerd worden.
27 Nu slaat de angst Mij om het hart. Wat moet Ik zeggen? Vader, laat dit ogenblik aan Mij voorbijgaan? Maar hiervoor ben Ik juist gekomen. 28 Laat nu zien hoe groot uw naam is, Vader.’ Toen klonk er een stem uit de hemel: ‘Ik heb mijn grootheid getoond en Ik zal mijn grootheid weer tonen.’ 29 De mensen die daar stonden en dit hoorden, zeiden: ‘Een donderslag!’ Maar er waren er ook die zeiden dat het een engel was die tegen Hem gesproken had. 30 Jezus zei: ‘Die stem heeft niet voor Mij gesproken, maar voor u. 31 Nu wordt het oordeel over deze wereld geveld, nu zal de heerser van deze wereld uitgebannen worden. 32 Wanneer Ik van de aarde omhooggeheven word, zal Ik iedereen naar mij toe halen.’ 33 Daarmee duidde Hij aan welke dood Hij zou sterven.
Johannes 12:20-33
+3
jelgerbijma
8 Schrijf aan de engel van de gemeente in Smyrna:
“Dit zegt Hij die de eerste en de laatste is, die dood was en nu leeft: 9 Ik weet van de ellende en de armoede waarin u verkeert, hoewel u rijk bent. Ik weet hoe u belasterd wordt door mensen die zich Joden noemen en het niet zijn, maar bij Satan horen. 10 Wees niet bang voor het lijden dat u nog te wachten staat. Sommigen van u zullen door de duivel in de gevangenis worden gegooid, en zo op de proef worden gesteld; tien dagen lang zult u het zwaar te verduren hebben. Wees trouw tot in de dood, dan zal Ik u als lauwerkrans het leven geven.
11 Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint zal van de tweede dood geen schade ondervinden.”
Openbaring 2:8-11
+3
jelgerbijma
18 Bied, mijn God, ons een luisterend oor en hoor ons; open uw ogen en zie de verwoesting van de stad waaraan uw naam verbonden is. Niet omdat wij rechtvaardig zouden hebben gehandeld leggen wij onze smeekbeden aan U voor, maar omdat uw barmhartigheid groot is. 19 Heer, luister naar ons! Heer, vergeef ons! Heer, sla acht op ons gebed! Wacht niet langer en grijp in, mijn God, ook omwille van uzelf, want uw naam is verbonden aan uw stad en aan uw volk.’
Daniël 9:18-19
+5
jelgerbijma
1 Nu wij door zo’n menigte geloofsgetuigen omringd zijn, moeten ook wij elke last van ons afwerpen, evenals de zonde waarin we steeds weer verstrikt raken, en vastberaden de wedstrijd lopen die voor ons ligt. 2 Laten we daarbij de blik gericht houden op Jezus, de grondlegger en voltooier van ons geloof: met de vreugde voor ogen die voor Hem in het verschiet lag, heeft Hij het kruis verdragen en de schande ervan aanvaard, en heeft Hij zijn plaats ingenomen aan de rechterzijde van de troon van God.
Hebreeën 12:1-2
+3
jelgerbijma
1 Voor de koorleider. Een psalm van David, een lied.
2 U komt de lof toe,
God die woont op de Sion,
U zult ontvangen wat U is beloofd.
3 U die ons bidden hoort –
tot U komt de sterveling.
4 Worden onze zonden mij te zwaar,
U neemt weg wat wij misdeden.
5 Gelukkig wie door U gekozen is en U mag naderen,
hij mag wonen in uw voorhoven.
Wij genieten het goede van uw huis,
het heilige van uw tempel.
6 Ontzagwekkend is uw antwoord,
U doet recht en redt ons, God,
op U hopen de einden der aarde,
de verten van de zee.
7 U hebt met kracht de bergen vastgezet,
U bent omgord met macht,
8 U brengt tot bedaren het geraas van de zeeлn,
het gebulder van de golven,
het tumult van de volken.
9 Vrees voor uw tekenen vervult
wie wonen aan de einden der aarde,
U brengt gejuich van oost tot west.
10 U zorgt voor het land en bevloeit het,
U maakt het vruchtbaar,
vol water staat de rivier van God.
U bewerkt het land voor het koren, zo bewerkt U het:
11 U doordrenkt de voren en effent de kluiten,
doorweekt ze met regen en zegent het jonge groen.
12 U kroont het jaar met uw goede gaven,
waar uw voeten gaan, druipt het van overvloed,
13 de velden in de steppe druipen,
de heuvels omgorden zich met gejubel,
14 de weiden kleden zich met kudden,
de dalen tooien zich met graan.
Zij zingen en juichen elkaar toe.
Psalmen 65
+4
jelgerbijma
32 Leer van de vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer in aantocht is. 33 Zo moeten jullie ook weten, wanneer je dat alles ziet, dat Hij in aantocht is en heel dichtbij. 34 Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren. 35 Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden verdwijnen nooit.
36 Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken, ook de hemelse engelen en de Zoon niet, alleen de Vader weet het.
Matteüs 24:32-36
+6
jelgerbijma
12 Toen Jezus hoorde dat Johannes gevangengenomen was, week Hij uit naar Galilea. 13 Hij keerde niet terug naar Nazaret, maar ging in Kafarnaüm wonen, aan het meer, in het gebied van Zebulon en Naftali. 14 Zo moest in vervulling gaan wat gezegd is door de profeet Jesaja: 15 ‘Land van Zebulon en Naftali, gebied aan het meer en aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de heidenen, luister: 16 Het volk dat in duisternis leefde, zag een schitterend licht, en zij die woonden in de schaduw van de dood werden door het licht beschenen.’ 17 Vanaf dat moment begon Jezus zijn verkondiging. ‘Kom tot inkeer,’ zei Hij, ‘want het koninkrijk van de hemel is nabij!’
18 Toen Hij langs het meer liep, zag Hij twee broers, Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Ze wierpen hun net uit in het meer, het waren vissers. 19 Hij zei tegen hen: ‘Kom, volg Mij, Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ 20 Ze lieten meteen hun netten achter en volgden Hem. 21 Even verderop zag Hij twee andere broers, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Ze waren met hun vader in hun boot bezig met het herstellen van de netten. Hij riep hen 22 en meteen lieten ze de boot en hun vader Zebedeüs achter en volgden Hem.
23 Hij trok rond in heel Galilea; Hij gaf de mensen onderricht in hun synagogen, verkondigde het goede nieuws over het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk.
Matteüs 4:12-23
+3
jelgerbijma
1 Van David.
Erger je niet aan slechte mensen,
wees niet jaloers op wie kwaad doen,
2 zij verdorren snel als gras,
zij verwelken als het jonge groen.
3 Vertrouw op de HEER en doe het goede,
bewoon het land en leef er veilig.
4 Zoek je geluk bij de HEER,
Hij zal geven wat je hart verlangt.
5 Leg je leven in de handen van de HEER,
vertrouw op Hem, Hij zal dit voor je doen:
6 het recht zal dagen als het morgenlicht,
de gerechtigheid stralen als de middagzon.
7 Blijf kalm en wacht op de HEER,
erger je niet aan wie slaagt in het leven,
aan wie met listen te werk gaat.
8 Wind je niet op, laat je woede varen,
erger je niet, dat brengt maar onheil.
9 Slechte mensen worden verdelgd,
wie hopen op de HEER, zullen het land bezitten.
10 Nog even, en verdwenen is de zondaar,
je kijkt waar hij is, maar vindt hem niet.
11 Wie nederig zijn, zullen het land bezitten
en gelukkig leven in overvloed en vrede.
12 De zondaar belaagt de rechtvaardige
met een grijns op zijn gezicht.
13 Maar de Heer lacht hem uit
en ziet de dag al van zijn ondergang.
14 Zondaars trekken hun zwaard
en spannen hun boog,
om zwakken en armen te doden,
om af te slachten wie eerlijk hun weg gaan.
15 Maar het zwaard dringt in hun eigen hart
en hun bogen worden gebroken.
16 Beter het weinige dat een rechtvaardige heeft
dan de rijkdom van talloze zondaars.
17 De macht van de zondaars wordt gebroken,
maar de HEER zal de rechtvaardigen steunen.
18 De HEER trekt zich het lot van onschuldigen aan,
hun bezit blijft voor eeuwig behouden.
19 Zij worden niet teleurgesteld in kwade dagen,
in tijden van hongersnood worden zij verzadigd.
20 De zondaars zullen ten onder gaan,
de vijanden van de HEER verdwijnen
als bloemen in het veld, verdwijnen als rook.
21 De zondaar vraagt te leen en brengt niet terug,
de rechtvaardige geeft, uit mededogen.
22 Gods gezegenden zullen het land bezitten,
de vervloekten worden verdelgd.
23 Wie de HEER welgevallig is,
mag zijn weg gaan met vaste tred.
24 Al komt hij ten val, hij blijft niet liggen,
want de HEER richt hem op.
25 Ooit was ik jong, nu ben ik oud,
en nooit zag ik dat een rechtvaardige werd verlaten,
nooit zag ik zijn kinderen zoeken naar brood;
26 hij is vol mededogen en leent uit, elke dag,
en zijn nageslacht is een bron van zegen.
27 Mijd het kwade en doe het goede,
en je zult voor eeuwig wonen in het land,
28 want de HEER heeft gerechtigheid lief,
wie Hem trouw zijn, verlaat Hij niet.
Zij blijven voor eeuwig behouden,
maar het nageslacht van zondaars wordt verdelgd.
29 De rechtvaardigen zullen het land bezitten
en het bewonen, hun leven lang.
30 De mond van de rechtvaardige spreekt wijsheid,
zijn tong spreekt gerechtigheid,
31 hij draagt de wet van God in zijn hart
en zijn voeten struikelen niet.
32 De zondaar loert op de rechtvaardige
en zoekt een kans om hem te doden,
33 maar de HEER laat zijn dienaar niet los:
wordt hij aangeklaagd, vrijspraak zal volgen.
34 Vestig je hoop op de HEER
en blijf op de weg die Hij wijst,
Hij zal je aanzien geven en grondbezit,
je zult beleven dat zondaars worden verdelgd.
35 Ik heb een zondaar gezien, een uitbuiter,
hij groeide uit als een woekerende laurier;
36 op een dag was hij verdwenen,
ik zocht hem en ik vond hem niet.
37 Zie de onschuldigen, kijk naar de oprechten:
wie vredelievend zijn hebben de toekomst.
38 Maar zondaars worden verdelgd,
er is geen toekomst voor een slecht mens.
39 De rechtvaardigen vinden redding bij de HEER,
Hij is hun toevlucht in tijden van nood.
40 De HEER heeft hen altijd geholpen en bevrijd,
Hij bevrijdt hen ook nu van de zondaars, Hij redt hen,
want zij schuilen bij Hem.
Heer, maak wie u liefhebben onstuitbaar als de opgaande zon!
Rechters 5:31
20 ‘Ook al hebt u gezondigd,’ antwoordde Samuel, ‘u hoeft niet bang te zijn zolang u de HEER maar trouw blijft en Hem dient met heel uw hart. 21 Dwaal niet af om achter iets aan te lopen dat niets oplevert en niet bevrijdt, omdat het niets is. 22 Ter wille van zijn grote naam zal de HEER zijn volk immers niet in de steek laten, want Hij heeft zelf besloten om u tot zijn volk te maken. 23 En hetzelfde geldt voor mij: ook ik moet niet zondigen tegen de HEER en ik moet zeker niet ophouden voor u te bidden en u het goede en rechte pad te wijzen. 24 Dus: heb ontzag voor de HEER en dien Hem oprecht, met heel uw hart. U hebt immers zelf ervaren welke grootse daden Hij voor u heeft verricht.
1 Samuel 12:20-24
1 Voor de koorleider. Van David, de dienaar van de HEER. Hij sprak de woorden van dit lied tot de HEER toen de HEER hem aan de greep van zijn vijanden had ontrukt, ook aan die van Saul. 2 Hij zei:
Ik heb U lief, HEER, mijn sterkte,
3 HEER, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder,
God, mijn steenrots, bij U kan ik schuilen,
mijn schild, kracht die mij redt, mijn burcht.
4 Ik roep: ‘Geloofd zij de HEER,’
want ik ben van mijn vijanden verlost.
5 Mij omsloten de banden van de dood,
de kolkende afgrond joeg mij angst aan,
6 de banden van het dodenrijk omklemden mij,
op mijn weg lagen de valstrikken van de dood.
7 In mijn nood riep ik tot de HEER,
ik schreeuwde naar mijn God om hulp.
In zijn paleis hoorde Hij mijn stem,
mijn roepen bereikte zijn oren.
8 Toen schudde en schokte de aarde,
de bergen trilden op hun grondvesten,
beefden omdat Hij vlamde van woede,
9 rook steeg op uit zijn neus,
verterend vuur kwam uit zijn mond,
Hij spuwde hete as.
10 Hij schoof de hemel open en daalde af,
duisternis onder zijn voeten,
11 Hij besteeg de cherub en vloog,
zwevend op de vleugels van de wind.
12 Hij maakte van het donker zijn schuilplaats,
trok een tent om zich heen
van duister water, dichte wolken.
13 Een vuurgloed ging voor Hem uit,
wolken joegen voort, hagel en gloeiende as.
14 De donder van de HEER klonk aan de hemel,
de Allerhoogste verhief zijn stem:
hagel en gloeiende as.
15 Hij schoot zijn pijlen en sloeg de vijanden uiteen,
wierp zijn bliksemschichten en verdreef hen.
16 De beddingen van het water werden zichtbaar,
de grondvesten van de wereld kwamen bloot
door uw dreigende blik, HEER,
door de briesende adem uit uw neus.
17 Hij bood hulp van omhoog, greep mij vast
en trok mij op uit de woeste wateren,
18 ontrukte mij aan mijn machtige vijand,
aan mijn haters, die sterker waren dan ik.
19 Op de dag van mijn ondergang vielen zij aan,
maar de HEER was mij tot steun.
20 Hij leidde mij weg uit de nood en gaf mij ruimte,
bevrijdde mij, omdat Hij mij liefhad.
21 De HEER heeft mijn onschuld vergolden,
mij beloond voor mijn reine handen:
22 ik volgde de wegen die de HEER had gewezen
en werd mijn God niet ontrouw,
23 zijn voorschriften hield ik voor ogen,
zijn wetten wees ik nooit af.
24 Ik was Hem volkomen toegewijd
en hoedde mij steeds voor het kwaad,
25 daarom heeft de HEER mijn onschuld beloond,
Hij zag mijn reine handen.
26 U bent trouw voor de trouwe,
volmaakt voor de volmaakte,
27 zuiver voor de zuivere,
maar voor de sluwe ongrijpbaar.
28 U bent de redder van het vertrapte volk,
wie zich hoog wanen, brengt U ten val.
29 U bent het die mijn lamp doet schijnen,
U, HEER, mijn God, verlicht mijn duisternis,
30 met U storm ik af op een legerbende,
met mijn God spring ik over de hoogste muur.
31 Gods weg is volmaakt,
het woord van de HEER is zuiver,
een schild is Hij
voor allen die bij Hem schuilen.
32 Wie anders is God dan de HEER,
wie anders een rots dan onze God?
33 De God die mij met kracht omgordt,
leidt mij op een volmaakte weg,
34 Hij geeft mij voeten snel als hinden,
doet mij op toppen van bergen staan,
35 oefent mijn handen voor de strijd –
mijn armen spannen de bronzen boog.
36 U was het schild dat mij redde,
uw rechterhand ondersteunde mij,
uw woord maakte mij sterk,
37 U baande de weg voor mijn voeten,
ik wankelde niet.
38 Ik achtervolgde mijn vijanden, haalde hen in
en keerde niet terug voor ik hen had vernietigd,
39 ik verpletterde hen, ze stonden niet meer op,
dood lagen ze onder mijn voeten.
40 U hebt mij omgord met kracht voor de strijd,
mijn tegenstanders voor mij doen buigen,
41 U liet mij de rug van mijn vijanden zien,
mijn haters, ik roeide ze uit.
42 Ze schreeuwden om hulp, maar er was geen redder,
ze riepen de HEER, maar Hij antwoordde niet.
43 Ik verpulverde hen tot stof in de wind,
vaagde hen weg als vuil van de straat.
44 U bevrijdde mij van een opstandig volk,
stelde mij aan tot hoofd van de naties.
Een volk dat ik niet kende, onderwierp zich,
45 gehoorzaamde mij zodra het van mij hoorde.
Vreemdelingen toonden zich onderdanig,
46 vreemde volken verloren hun kracht,
bevend kwamen zij uit hun burchten.
47 De HEER leeft, geprezen zij mijn rots,
hoogverheven is God, mijn redder.
48 De God die mij wraak liet nemen,
dwong volken op de knieën,
49 bevrijdde mij van mijn vijanden,
verhief mij boven mijn tegenstanders,
ontrukte mij aan mannen van geweld.
50 Daarom wil ik U prijzen te midden van de volken, HEER,
een loflied zingen tot eer van uw naam.
51 Hij schenkt zijn koning grote overwinningen,
betoont zich trouw aan zijn gezalfde,
aan David en zijn nageslacht, voor altijd.
Psalmen 18
1 Hier is mijn dienaar, hem zal Ik steunen,
hij is mijn uitverkorene, in hem vind Ik vreugde,
Ik heb hem met mijn geest vervuld.
Hij zal alle volken het recht doen kennen.
2 Hij schreeuwt niet, hij verheft zijn stem niet,
hij roept niet luidkeels in het openbaar;
3 het geknakte riet breekt hij niet af,
de kwijnende vlam zal hij niet doven.
Het recht zal hij zuiver doen kennen.
4 Hij zal niet uitdoven en niet breken
tot hij op aarde het recht heeft gevestigd;
de eilanden zien naar zijn onderricht uit.
Jesaja 42:1-4
1 Toen Jezus geboren was, in Betlehem in Judea, tijdens de regering van koning Herodes, kwamen er magiërs uit het Oosten in Jeruzalem aan. 2 Ze vroegen: ‘Waar is de koning van de Joden die onlangs geboren is? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om Hem te aanbidden.’ 3 Koning Herodes schrok hevig toen hij dit hoorde, en heel Jeruzalem met hem. 4 Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk samen om aan hen te vragen waar de messias geboren zou worden. 5 ‘In Betlehem in Judea,’ zeiden ze tegen hem, ‘want zo staat het geschreven bij de profeet: 6 “En jij, Betlehem in het land van Juda, bent zeker niet de minste onder de leiders van Juda, want uit jou komt een leider voort die mijn volk Israлl zal hoeden.”’ 7 Daarop riep Herodes in het geheim de magiлrs bij zich; hij wilde precies van hen weten wanneer de ster zichtbaar geworden was, 8 en stuurde hen vervolgens naar Betlehem met de woorden: ‘Stel een nauwkeurig onderzoek in naar het kind. Stuur mij bericht zodra u het gevonden hebt, zodat ook ik erheen kan gaan om het te aanbidden.’ 9 Nadat ze de koning hadden aangehoord gingen ze op weg, en nu ging de ster die ze hadden zien opgaan voor hen uit, totdat hij stil bleef staan boven de plaats waar het kind was. 10 Toen ze de ster zagen, werden ze vervuld van diepe vreugde. 11 Ze gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich in aanbidding voor het kind neer. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het geschenken aan: goud en wierook en mirre. 12 En omdat ze in een droom de aanwijzing hadden gekregen dat ze niet naar Herodes terug moesten gaan, reisden ze via een andere route terug naar hun land.
Matteüs 2:1-12
3 Mogen liefde en trouw je nooit verlaten,
wind ze om je hals,
schrijf ze in je hart.
4 God en de mensen zullen je genegen zijn
en je zult waardering ondervinden.
5 Vertrouw op de HEER met heel je hart,
steun niet op eigen inzicht.
6 Denk aan Hem bij alles wat je doet,
dan baant Hij voor jou de weg.
Spreuken 3:3-6
15 Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen voorspoed en tegenspoed, tussen leven en dood. 16 Wanneer u zich houdt aan de geboden van de HEER, uw God, zoals ik ze u vandaag heb gegeven, door Hem lief te hebben, door de weg te volgen die Hij wijst, en zijn geboden, wetten en regels in acht te nemen, dan zult u in leven blijven en in aantal toenemen, en dan zal de HEER, uw God, u zegenen in het land dat u in bezit zult nemen. 17 Maar als u Hem de rug toekeert en weigert te luisteren, als u zich ertoe laat verleiden neer te knielen voor andere goden en die te vereren, 18 dan zeg ik u op voorhand dat u te gronde zult gaan. Dan zal u aan de overkant van de Jordaan, in het land dat u in bezit zult nemen, geen lang leven beschoren zijn. 19 Ik roep vandaag hemel en aarde als getuigen op: u staat voor de keuze tussen leven en dood, tussen zegen en vloek. Kies voor het leven, voor uw eigen toekomst en die van uw nakomelingen, 20 door de HEER, uw God, lief te hebben, Hem te gehoorzamen en Hem toegedaan te blijven. Dan zult u lang blijven wonen in het land dat Hij uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft beloofd.’
Deuteronomium 30:15-20
5 Toen Hij Kafarnaüm binnenging, kwam er een centurio naar Hem toe die Hem om hulp smeekte. 6 ‘Heer,’ zei hij, ‘mijn knecht ligt thuis verlamd op bed en lijdt hevige pijn.’ 7 Jezus antwoordde hem: ‘Ik zal meegaan en hem genezen.’ 8 Daarop zei de centurio: ‘Heer, ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt. Spreek slechts een enkel woord en mijn knecht zal genezen. 9 Ook ik ben iemand die onder andermans gezag staat en zelf weer soldaten onder zich heeft, en als ik tegen een soldaat zeg: “Ga!”, dan gaat hij, en tegen een andere: “Kom!”, dan komt hij, en als ik tegen mijn slaaf zeg: “Doe dit!”, dan doet hij het.’ 10 Toen Jezus dit hoorde, verbaasde Hij zich en Hij zei tegen degenen die Hem volgden: ‘Ik verzeker jullie: bij niemand in Israël heb Ik zo’n groot geloof gevonden. 11 Ik zeg jullie dat velen uit het oosten en uit het westen zullen komen en met Abraham, Isaak en Jakob zullen aanliggen bij het feestmaal in het koninkrijk van de hemel, 12 maar de erfgenamen van het koninkrijk zullen worden verbannen naar de uiterste duisternis; daar zullen zij jammeren en knarsetanden.’ 13 Tegen de centurio zei Jezus: ‘Ga naar huis. Zoals u het geloofd hebt, zo zal het gebeuren.’ Op hetzelfde moment genas zijn knecht.
Matteüs 8:5-13
17 En ik? Ik roep tot God,
de HEER zal mij redden.
18 In de avond, in de morgen, in de middag
klaag ik en zucht ik,
en Hij hoort mijn stem.
19 Hij zal mij verlossen en in veiligheid brengen,
mijn vijanden zal Hij afweren,
al zijn ze met velen tegen mij.
Psalmen 55:17-19
7 U effent het pad voor de rechtvaardige,
U baant voor hem een rechte weg.
8 Ook wij verlaten ons op U, HEER:
wij gaan de paden van uw recht.
Ons diepste verlangen is het
uw naam te noemen, U aan te roepen.
9 Reikhalzend kijk ik naar U uit,
zelfs ’s nachts verlang ik naar U.
Wanneer U een oordeel over de wereld velt,
zullen de mensen op aarde gerechtigheid leren.
10 Maar niet de goddeloze: al wordt hij gespaard,
gerechtigheid zal hij nooit leren.
In het land van het recht doet hij slechts onrecht;
de macht van de HEER merkt hij niet op.
11 HEER, uw opgeheven hand ziet hij niet.
Laat hem dan tot zijn schande zien
hoe U strijdt voor uw volk,
hoe het vuur uw vijand verteert.
12 HEER, geef ons vrede,
alles wat wij deden, hebt U voor ons gedaan.
13 HEER, onze God,
andere heren hebben ons in hun macht gehad,
maar alleen uw naam roepen wij aan.
Jesaja 26:7-13
Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw aardse begeerten vrij spel te geven, maar dien elkaar in liefde.
Galaten 5:13
Sluit mooi aan bij het bezinningsweekend.
Meld je aan!
9 De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen, en hij zei: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. 30 Hij is het over wie ik zei: “Na mij komt iemand die meer is dan ik, want Hij was er vóór mij.” 31 Ook ik wist niet wie Hij was, maar ik kwam met water dopen opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden.’ 32 En Johannes getuigde: ‘Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen, en Hij bleef op Hem rusten. 33 Nog wist ik niet wie Hij was, maar Hij die mij gezonden heeft om met water te dopen, zei tegen mij: “Wanneer je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is dat degene die doopt met de heilige Geest.” 34 En dat heb ik gezien, en ik getuig dat Hij de Zoon van God is.’
Johannes 1:29-34
20 Nu was er ook een aantal Grieken naar het feest gekomen om God te aanbidden. 21 Zij gingen naar Filippus uit Betsaпda in Galilea, en vroegen of ze Jezus konden zien. 22 Filippus ging dat tegen Andreas zeggen en samen gingen ze naar Jezus. 23 Jezus zei: ‘De tijd is gekomen dat de Mensenzoon tot majesteit wordt verheven. 24 Werkelijk, Ik verzeker u, als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft brengt hij veel vruchten voort. 25 Wie zich aan zijn leven vastklampt, verliest het, maar wie in deze wereld zijn leven loslaat, behoudt het voor het eeuwige leven. 26 Wie Mij dient moet Mij volgen: waar Ik ben zal ook mijn dienaar zijn, en wie Mij dient zal door de Vader geлerd worden.
27 Nu slaat de angst Mij om het hart. Wat moet Ik zeggen? Vader, laat dit ogenblik aan Mij voorbijgaan? Maar hiervoor ben Ik juist gekomen. 28 Laat nu zien hoe groot uw naam is, Vader.’ Toen klonk er een stem uit de hemel: ‘Ik heb mijn grootheid getoond en Ik zal mijn grootheid weer tonen.’ 29 De mensen die daar stonden en dit hoorden, zeiden: ‘Een donderslag!’ Maar er waren er ook die zeiden dat het een engel was die tegen Hem gesproken had. 30 Jezus zei: ‘Die stem heeft niet voor Mij gesproken, maar voor u. 31 Nu wordt het oordeel over deze wereld geveld, nu zal de heerser van deze wereld uitgebannen worden. 32 Wanneer Ik van de aarde omhooggeheven word, zal Ik iedereen naar mij toe halen.’ 33 Daarmee duidde Hij aan welke dood Hij zou sterven.
Johannes 12:20-33
8 Schrijf aan de engel van de gemeente in Smyrna:
“Dit zegt Hij die de eerste en de laatste is, die dood was en nu leeft: 9 Ik weet van de ellende en de armoede waarin u verkeert, hoewel u rijk bent. Ik weet hoe u belasterd wordt door mensen die zich Joden noemen en het niet zijn, maar bij Satan horen. 10 Wees niet bang voor het lijden dat u nog te wachten staat. Sommigen van u zullen door de duivel in de gevangenis worden gegooid, en zo op de proef worden gesteld; tien dagen lang zult u het zwaar te verduren hebben. Wees trouw tot in de dood, dan zal Ik u als lauwerkrans het leven geven.
11 Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint zal van de tweede dood geen schade ondervinden.”
Openbaring 2:8-11
18 Bied, mijn God, ons een luisterend oor en hoor ons; open uw ogen en zie de verwoesting van de stad waaraan uw naam verbonden is. Niet omdat wij rechtvaardig zouden hebben gehandeld leggen wij onze smeekbeden aan U voor, maar omdat uw barmhartigheid groot is. 19 Heer, luister naar ons! Heer, vergeef ons! Heer, sla acht op ons gebed! Wacht niet langer en grijp in, mijn God, ook omwille van uzelf, want uw naam is verbonden aan uw stad en aan uw volk.’
Daniël 9:18-19
1 Nu wij door zo’n menigte geloofsgetuigen omringd zijn, moeten ook wij elke last van ons afwerpen, evenals de zonde waarin we steeds weer verstrikt raken, en vastberaden de wedstrijd lopen die voor ons ligt. 2 Laten we daarbij de blik gericht houden op Jezus, de grondlegger en voltooier van ons geloof: met de vreugde voor ogen die voor Hem in het verschiet lag, heeft Hij het kruis verdragen en de schande ervan aanvaard, en heeft Hij zijn plaats ingenomen aan de rechterzijde van de troon van God.
Hebreeën 12:1-2
1 Voor de koorleider. Een psalm van David, een lied.
2 U komt de lof toe,
God die woont op de Sion,
U zult ontvangen wat U is beloofd.
3 U die ons bidden hoort –
tot U komt de sterveling.
4 Worden onze zonden mij te zwaar,
U neemt weg wat wij misdeden.
5 Gelukkig wie door U gekozen is en U mag naderen,
hij mag wonen in uw voorhoven.
Wij genieten het goede van uw huis,
het heilige van uw tempel.
6 Ontzagwekkend is uw antwoord,
U doet recht en redt ons, God,
op U hopen de einden der aarde,
de verten van de zee.
7 U hebt met kracht de bergen vastgezet,
U bent omgord met macht,
8 U brengt tot bedaren het geraas van de zeeлn,
het gebulder van de golven,
het tumult van de volken.
9 Vrees voor uw tekenen vervult
wie wonen aan de einden der aarde,
U brengt gejuich van oost tot west.
10 U zorgt voor het land en bevloeit het,
U maakt het vruchtbaar,
vol water staat de rivier van God.
U bewerkt het land voor het koren, zo bewerkt U het:
11 U doordrenkt de voren en effent de kluiten,
doorweekt ze met regen en zegent het jonge groen.
12 U kroont het jaar met uw goede gaven,
waar uw voeten gaan, druipt het van overvloed,
13 de velden in de steppe druipen,
de heuvels omgorden zich met gejubel,
14 de weiden kleden zich met kudden,
de dalen tooien zich met graan.
Zij zingen en juichen elkaar toe.
Psalmen 65
32 Leer van de vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer in aantocht is. 33 Zo moeten jullie ook weten, wanneer je dat alles ziet, dat Hij in aantocht is en heel dichtbij. 34 Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren. 35 Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden verdwijnen nooit.
36 Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken, ook de hemelse engelen en de Zoon niet, alleen de Vader weet het.
Matteüs 24:32-36
12 Toen Jezus hoorde dat Johannes gevangengenomen was, week Hij uit naar Galilea. 13 Hij keerde niet terug naar Nazaret, maar ging in Kafarnaüm wonen, aan het meer, in het gebied van Zebulon en Naftali. 14 Zo moest in vervulling gaan wat gezegd is door de profeet Jesaja: 15 ‘Land van Zebulon en Naftali, gebied aan het meer en aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de heidenen, luister: 16 Het volk dat in duisternis leefde, zag een schitterend licht, en zij die woonden in de schaduw van de dood werden door het licht beschenen.’ 17 Vanaf dat moment begon Jezus zijn verkondiging. ‘Kom tot inkeer,’ zei Hij, ‘want het koninkrijk van de hemel is nabij!’
18 Toen Hij langs het meer liep, zag Hij twee broers, Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Ze wierpen hun net uit in het meer, het waren vissers. 19 Hij zei tegen hen: ‘Kom, volg Mij, Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ 20 Ze lieten meteen hun netten achter en volgden Hem. 21 Even verderop zag Hij twee andere broers, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Ze waren met hun vader in hun boot bezig met het herstellen van de netten. Hij riep hen 22 en meteen lieten ze de boot en hun vader Zebedeüs achter en volgden Hem.
23 Hij trok rond in heel Galilea; Hij gaf de mensen onderricht in hun synagogen, verkondigde het goede nieuws over het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk.
Matteüs 4:12-23
1 Van David.
Erger je niet aan slechte mensen,
wees niet jaloers op wie kwaad doen,
2 zij verdorren snel als gras,
zij verwelken als het jonge groen.
3 Vertrouw op de HEER en doe het goede,
bewoon het land en leef er veilig.
4 Zoek je geluk bij de HEER,
Hij zal geven wat je hart verlangt.
5 Leg je leven in de handen van de HEER,
vertrouw op Hem, Hij zal dit voor je doen:
6 het recht zal dagen als het morgenlicht,
de gerechtigheid stralen als de middagzon.
7 Blijf kalm en wacht op de HEER,
erger je niet aan wie slaagt in het leven,
aan wie met listen te werk gaat.
8 Wind je niet op, laat je woede varen,
erger je niet, dat brengt maar onheil.
9 Slechte mensen worden verdelgd,
wie hopen op de HEER, zullen het land bezitten.
10 Nog even, en verdwenen is de zondaar,
je kijkt waar hij is, maar vindt hem niet.
11 Wie nederig zijn, zullen het land bezitten
en gelukkig leven in overvloed en vrede.
12 De zondaar belaagt de rechtvaardige
met een grijns op zijn gezicht.
13 Maar de Heer lacht hem uit
en ziet de dag al van zijn ondergang.
14 Zondaars trekken hun zwaard
en spannen hun boog,
om zwakken en armen te doden,
om af te slachten wie eerlijk hun weg gaan.
15 Maar het zwaard dringt in hun eigen hart
en hun bogen worden gebroken.
16 Beter het weinige dat een rechtvaardige heeft
dan de rijkdom van talloze zondaars.
17 De macht van de zondaars wordt gebroken,
maar de HEER zal de rechtvaardigen steunen.
18 De HEER trekt zich het lot van onschuldigen aan,
hun bezit blijft voor eeuwig behouden.
19 Zij worden niet teleurgesteld in kwade dagen,
in tijden van hongersnood worden zij verzadigd.
20 De zondaars zullen ten onder gaan,
de vijanden van de HEER verdwijnen
als bloemen in het veld, verdwijnen als rook.
21 De zondaar vraagt te leen en brengt niet terug,
de rechtvaardige geeft, uit mededogen.
22 Gods gezegenden zullen het land bezitten,
de vervloekten worden verdelgd.
23 Wie de HEER welgevallig is,
mag zijn weg gaan met vaste tred.
24 Al komt hij ten val, hij blijft niet liggen,
want de HEER richt hem op.
25 Ooit was ik jong, nu ben ik oud,
en nooit zag ik dat een rechtvaardige werd verlaten,
nooit zag ik zijn kinderen zoeken naar brood;
26 hij is vol mededogen en leent uit, elke dag,
en zijn nageslacht is een bron van zegen.
27 Mijd het kwade en doe het goede,
en je zult voor eeuwig wonen in het land,
28 want de HEER heeft gerechtigheid lief,
wie Hem trouw zijn, verlaat Hij niet.
Zij blijven voor eeuwig behouden,
maar het nageslacht van zondaars wordt verdelgd.
29 De rechtvaardigen zullen het land bezitten
en het bewonen, hun leven lang.
30 De mond van de rechtvaardige spreekt wijsheid,
zijn tong spreekt gerechtigheid,
31 hij draagt de wet van God in zijn hart
en zijn voeten struikelen niet.
32 De zondaar loert op de rechtvaardige
en zoekt een kans om hem te doden,
33 maar de HEER laat zijn dienaar niet los:
wordt hij aangeklaagd, vrijspraak zal volgen.
34 Vestig je hoop op de HEER
en blijf op de weg die Hij wijst,
Hij zal je aanzien geven en grondbezit,
je zult beleven dat zondaars worden verdelgd.
35 Ik heb een zondaar gezien, een uitbuiter,
hij groeide uit als een woekerende laurier;
36 op een dag was hij verdwenen,
ik zocht hem en ik vond hem niet.
37 Zie de onschuldigen, kijk naar de oprechten:
wie vredelievend zijn hebben de toekomst.
38 Maar zondaars worden verdelgd,
er is geen toekomst voor een slecht mens.
39 De rechtvaardigen vinden redding bij de HEER,
Hij is hun toevlucht in tijden van nood.
40 De HEER heeft hen altijd geholpen en bevrijd,
Hij bevrijdt hen ook nu van de zondaars, Hij redt hen,
want zij schuilen bij Hem.
Psalmen 37