jelgerbijma

12 Nu dan – spreekt de HEER –, keer terug tot Mij met heel je hart, door te vasten, te treuren en te rouwen. 13 Niet je kleren moet je scheuren, maar je hart. Keer terug tot de HEER, jullie God, want Hij is genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en bereid het onheil af te wenden.

Joël 2:12-13

jelgerbijma

1 Nadat Jezus dit gezegd had, sloeg Hij zijn ogen op naar de hemel en zei: ‘Vader, nu is de tijd gekomen, toon nu de grootheid van uw Zoon, dan zal de Zoon uw grootheid tonen. 2 Hij heeft van U macht over alle mensen ontvangen, de macht om iedereen die U aan Hem gegeven hebt het eeuwige leven te schenken. 3 Het eeuwige leven, dat is dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die U gezonden hebt, Jezus Christus. 4 Ik heb op aarde uw grootheid getoond door het werk te volbrengen dat U Mij opgedragen hebt. 5 Vader, verhef Mij nu tot uw majesteit, tot de grootheid die Ik bij U had voordat de wereld bestond.
6 Ik heb uw naam bekendgemaakt aan de mensen die U Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren van U, maar U hebt hen aan Mij gegeven. Ze hebben uw woord bewaard, 7 en nu begrijpen ze dat alles wat U Mij hebt gegeven, van U komt. 8 Ik heb de woorden die Ik van U ontvangen heb aan hen doorgegeven, zij hebben ze aanvaard en nu weten ze echt dat Ik van U gekomen ben, en ze geloven dat U Mij hebt gezonden.
9 Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor de mensen die U Mij hebt gegeven, omdat zij van U zijn 10 – alles wat van Mij is, is van U, en alles wat van U is, is van Mij – en omdat in hen mijn grootheid zichtbaar geworden is. 11 Ik ben al niet meer in de wereld, Ik ga naar U toe, maar zij blijven wel in de wereld. Heilige Vader, bewaar hen door uw naam, de naam die U ook aan Mij gegeven hebt, zodat zij één zijn zoals Wij één zijn.

Johannes 17:1-11

jelgerbijma

6 Is dit niet het vasten dat Ik verkies:
misdadige ketenen losmaken,
de banden van het juk ontbinden,
de verdrukten bevrijden,
en ieder juk breken?
7 Is het niet: je brood delen met de hongerige,
onderdak bieden aan armen zonder huis,
iemand kleden die naakt is,
je bekommeren om je medemensen?
8 Dan breekt je licht door als de dageraad,
je zult spoedig herstellen.
Je gerechtigheid gaat voor je uit,
de majesteit van de HEER vormt je achterhoede.

Jesaja 58:6-8

jelgerbijma

27 Daarop zei Petrus: ‘Maar wij hebben alles achtergelaten en zijn U gevolgd. Welk vooruitzicht hebben wij dan?’ 28 Jezus zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: wanneer de tijd aanbreekt dat alles vernieuwd wordt, wanneer de Mensenzoon in majesteit zetelt op zijn troon, zullen ook jullie die Mij gevolgd zijn plaatsnemen op twaalf tronen en rechtspreken over de twaalf stammen van Israël. 29 En ieder die broers of zussen, vader, moeder of kinderen, akkers of huizen heeft achtergelaten omwille van mijn naam, zal het honderdvoudige ontvangen en deel krijgen aan het eeuwige leven.

Matteüs 19:27-29

jelgerbijma

1 Straks zult u het land binnengaan dat de HEER, uw God, u als grondgebied zal geven. U zult het in bezit nemen en er gaan wonen. 2 U zult er de oogst kunnen binnenhalen. Als u daarvan dan het eerste en beste deel in een mand meeneemt naar de plaats die de HEER, uw God, zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen, 3 en u verschijnt er voor de priester die daar op dat moment dienstdoet, zeg dan het volgende tegen hem: ‘Hiermee verklaar ik voor de HEER, uw God, dat ik het land waarvan de HEER onze voorouders onder ede heeft beloofd dat Hij het ons zou geven, ben binnengegaan.’ 4 Als de priester de mand in ontvangst heeft genomen en die voor het altaar van de HEER, uw God, heeft neergezet, 5 moet u het volgende voor de HEER belijden: ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. 6 De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. 7 Toen klaagden we de HEER, de God van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. 8 En de HEER bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen. 9 Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land, dat overvloeit van melk en honing. 10 HEER, hierbij breng ik U de eerste opbrengst van het land dat U me gegeven hebt.’ Bied de HEER, uw God, zo uw gaven aan en kniel voor Hem neer. 11 Daarna mag u, samen met de Levieten en de vreemdelingen die bij u wonen, een feestmaal houden met al het goede dat u en uw familie van Hem hebben ontvangen.

Deuteronomium 26:1-11

jelgerbijma

1 Juich, rechtvaardigen, voor de HEER,
de oprechten moeten Hem loven.

2 Huldig de HEER bij de klank van de lier,
speel voor Hem op de tiensnarige harp.
3 Zing voor Hem een nieuw lied,
speel en zing met overgave.

4 Oprecht is het woord van de HEER,
alles wat Hij doet is betrouwbaar.
5 Hij heeft recht en gerechtigheid lief,
van de trouw van de HEER is de aarde vervuld.

6 Door het woord van de HEER is de hemel gemaakt,
door de adem van zijn mond het leger der sterren.
7 Hij verzamelt het zeewater en sluit het in,
Hij bergt de oceanen in schatkamers weg.

8 Laat heel de aarde vrezen voor de HEER
en wie de wereld bewonen Hem duchten,
9 want Hij sprak en het was er,
Hij gebood en daar stond het.

10 De HEER doet de plannen van volken teniet,
Hij verijdelt wat naties beramen,
11 maar het plan van de HEER houdt eeuwig stand,
wat Hij beraamt, blijft van geslacht tot geslacht.

12 Gelukkig het volk dat de HEER als zijn God heeft,
de natie die Hij verkoos als de zijne.
13 Uit de hemel ziet de HEER omlaag
en slaat Hij de sterveling gade.

14 Vanaf zijn troon houdt Hij het oog
op allen die de aarde bewonen.
15 Hij die de harten van allen vormt,
Hij doorziet al hun daden.

16 Koningen winnen niet door een machtig leger,
brute kracht redt krijgsheren niet.
17 Van geen nut zijn paarden voor de overwinning,
hoe sterk ook, ze bieden geen uitkomst.

18 Het oog van de HEER rust op wie Hem vrezen
en hopen op zijn trouw:
19 Hij zal hen redden in doodsgevaar,
bij hongersnood zal Hij hun leven sparen.

20 Wij wachten vol verlangen op de HEER,
Hij is onze hulp en ons schild.
21 Ja, om Hem is ons hart verblijd,
op zijn heilige naam vertrouwen wij.

22 Schenk ons uw trouw, HEER,
op U is al onze hoop gevestigd.

Psalmen 33

jelgerbijma

12 Luister naar Mij, Jakob – Israël, door Mij geroepen.
Ik ben het! Ik ben de eerste, Ik ben de laatste!
13 Eigenhandig heb Ik de aarde gegrondvest,
met mijn rechterhand de hemel ontvouwd;
wanneer Ik ze roep, staan beide paraat.
14 Kom allemaal, verzamel je en luister.
Wie van hun goden heeft dit aangekondigd:
‘De man die de liefde van de HEER geniet
zal diens plannen met Babylonië uitvoeren
en bij de Chaldeeën zijn macht doen gelden’?
15 Ik, Ik was het die dat zei! En Ik heb hem geroepen,
Ik laat hem komen, en wat hij onderneemt zal slagen.
16 Kom naderbij en luister hiernaar.
Van meet af aan heb Ik openlijk gesproken,
vanaf het begin van de geschiedenis was Ik erbij.
– God, de HEER, heeft mij gezonden, met zijn geest. –

17 Dit zegt de HEER, je bevrijder, de Heilige van Israël:
Ik ben de HEER, jullie God,
die jullie onderricht in je eigen belang,
die jullie leidt op de weg die je gaat.
18 Luisterde je maar naar mijn geboden,
dan zou je vrede zijn als een rivier,
en je gerechtigheid als de golven van de zee.
19 Je nageslacht zou zijn als het zand,
je nazaten ontelbaar als zandkorrels.
Je naam zou nooit worden uitgewist,
maar voor altijd bij Mij voortleven.
20 Trek weg uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën!
Verkondig dit met luid gejuich, laat het horen,
laat weten tot aan de einden der aarde:
‘De HEER koopt zijn dienaar Jakob vrij!’
21 Hij voert zijn volk door de woestijn,
ze zullen geen dorst lijden;
Hij laat water voor hen stromen uit de rots,
Hij klieft een rots en het water gutst eruit.

Jesaja 48:12-21

jelgerbijma

16 Laat u daarom door niemand iets voorschrijven op het gebied van eten en drinken of het vieren van feestdagen, nieuwemaan en sabbat. 17 Dit alles is slechts een schaduw van wat komt – de werkelijkheid is van Christus. 18 Laat u niet veroordelen door mensen die opgaan in zelfvernedering en engelenverering, zich verdiepen in visioenen of verblind door hun eigen bedenksels menen heel wat te zijn. 19 Zulke mensen richten zich niet naar het hoofd, van waaruit God het hele lichaam, door gewrichtsbanden en pezen ondersteund en bijeengehouden, doet groeien. 20 Als u met Christus dood bent voor de machten van de wereld, waarom laat u zich dan geboden opleggen alsof u nog in de wereld leeft? 21 ‘Niet aanraken! Niet proeven! Afblijven!’ – 22 het zijn menselijke voorschriften en instructies over zaken die door het gebruik vergaan. 23 Dat moet allemaal voor wijsheid doorgaan, maar het is zelfbedachte vroomheid, zelfvernedering en verachting van het lichaam; het heeft geen enkele waarde en dient alleen maar tot eigen bevrediging.

Kolossenzen 2:16-23

jelgerbijma

32 Herinner u de dagen van weleer, toen u, door het licht beschenen, in een moeizame worsteling met het lijden hebt standgehouden: 33 enerzijds kreeg u publiekelijk smaad en verdrukking te verduren, anderzijds was u solidair met hen die hetzelfde moesten doormaken. 34 U hebt meegeleefd met de gevangenen onder u, en toen u van uw bezittingen beroofd werd, hebt u dat in vreugde aanvaard, in de wetenschap dat u iets beters bezit, een blijvend bezit voor uzelf. 35 Geef die onbeschroomdheid dus niet op, u zult er rijk voor worden beloond. 36 Blijf juist volharden, want als u de wil van God doet, zult u ontvangen wat u beloofd is. 37 Immers: ‘Nog een heel korte tijd, dan komt Hij die komen zal, Hij blijft niet lang meer weg, 38 en dan zullen mijn rechtvaardigen leven door hun geloof,’ maar ook: ‘Wie terugdeinst ben Ik niet langer welgezind.’ 39 Wij echter behoren niet tot degenen die terugdeinzen en ten onder gaan, maar tot hen die door hun geloof behouden blijven.

Hebreeën 10:32-39

jelgerbijma

1 De HEER richtte zich tot mij:

2 ‘Ga naar Jeruzalem, roep haar toe:
Dit zegt de HEER:
Ik weet nog hoe je Me liefhad in je jeugd,
van Me hield als mijn bruid,
hoe je Me volgde door de woestijn,
dat land waar niet wordt gezaaid.
3 Israël is aan de HEER gewijd,
het is de eerste vrucht van zijn oogst.
Wie het verslindt, laadt schuld op zich,
hij wordt door onheil getroffen
– spreekt de HEER.

4 Luister naar de woorden van de HEER,
volk van Jakob.
Stammen van Israël, luister allemaal!
5 Dit zegt de HEER:
Welk onrecht heb Ik jullie voorouders gedaan
dat ze Mij hebben verlaten,
dat ze achter nietige goden aan liepen
en zelf nietswaardig werden?
6 Zij zeiden niet:
“Waar is de HEER,
die ons uit Egypte heeft bevrijd,
die ons heeft geleid door de woestijn,
door een land van steppen en ravijnen,
een land zo dor en duister,
een land waar niemand doorheen trekt,
waar geen mensen wonen.”
7 Ik leidde jullie naar een land vol boomgaarden,
een rijke oogst aan vruchten wachtte jullie daar.
Jullie kwamen er – en bezoedelden mijn bezit,
mijn eigen land werd Mij een gruwel.
8 De priesters zeiden niet:
“Waar is de HEER?”
De hoeders van de wetten kenden Mij niet.
De herders kwamen tegen Mij in opstand.
De profeten lieten zich door Baäl leiden
en liepen achter goden aan
van wie geen hulp was te verwachten.
9 Daarom klaag Ik jullie nogmaals aan,
en de kinderen van je kinderen klaag Ik aan
– spreekt de HEER.
10 Ga naar de eilanden der Kittiërs, kijk rond,
zend boden naar Kedar en onderzoek:
is zoiets ooit gebeurd,
11 heeft ooit een volk zijn goden ingeruild?
En goden zijn het nog niet eens!
Maar mijn volk heeft zijn eer verruild
voor iets dat geen hulp bieden kan.
12 Hemel, wees ontzet!
Huiver, sidder en beef!
– spreekt de HEER.
13 Twee wandaden heeft mijn volk begaan:
het heeft Mij verlaten, de bron van levend water,
en het heeft waterkelders uitgehouwen,
kelders vol scheuren, waarin het water niet blijft staan.

Jeremia 2:1-13

jelgerbijma

1 Als Gods medewerkers sporen wij u dan ook aan: laat de goedheid die Hij u bewijst niet tevergeefs zijn. 2 God zegt: ‘Wanneer de tijd daarvoor gekomen is, luister Ik naar je, op de dag van de redding help Ik je.’ Nu is de tijd daarvoor gekomen, nu is de dag van de redding. 3 Om onze verkondiging niet te schaden geven wij niemand ook maar enige aanstoot. 4 Als dienaren van God bevelen wij onszelf juist aan door altijd in alles te volharden: in tegenspoed, nood en ellende, 5 onder lijfstraffen, in gevangenschap en onder volkswoede, onder zware inspanningen, slaapgebrek en honger, 6 door oprechtheid en kennis, door geduld en vriendelijkheid, door de gaven van de heilige Geest en ongeveinsde liefde, 7 door de verkondiging van de waarheid en de kracht van God. We vallen aan en verdedigen ons met de wapens van de gerechtigheid, 8 we worden geëerd en gesmaad, belasterd en geprezen. We worden bedriegers genoemd maar spreken de waarheid, 9 we zijn vreemdelingen maar toch bij iedereen bekend, we sterven maar toch leven we, we worden gestraft maar niet aan de dood prijsgegeven, 10 we hebben verdriet maar toch zijn we altijd verheugd, we zijn arm maar toch maken we velen rijk, we bezitten niets maar toch hebben we alles.

2 Korintiërs 6:1-10

jelgerbijma

28 Ongeveer acht dagen nadat Hij dit had gezegd ging Hij met Petrus, Johannes en Jakobus de berg op om te bidden. 29 Terwijl Hij aan het bidden was, veranderde de aanblik van zijn gezicht en werd zijn kleding stralend wit. 30 Opeens stonden er twee mannen met Hem te praten: het waren Mozes en Elia, 31 die in hemelse luister verschenen waren. Ze spraken over zijn heengaan, de weg die Hij in Jeruzalem zou voltooien. 32 Petrus en de beide anderen waren in een diepe slaap gevallen; toen ze ontwaakten, zagen ze de luister die Jezus omgaf en de twee mannen die bij Hem stonden. 33 Toen de mannen zich van Hem wilden verwijderen, zei Petrus tegen Jezus: ‘Meester, het is goed dat wij hier zijn, laten we drie tenten maken, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia,’ maar hij wist niet wat hij zei. 34 Terwijl hij nog aan het spreken was, kwam er een wolk aandrijven die hen overdekte; toen de wolk hen omhulde werden ze bang. 35 Er klonk een stem uit de wolk, die zei: ‘Dit is mijn Zoon, mijn uitverkorene, luister naar Hem!’ 36 Toen de stem verstomd was, was Jezus weer alleen. Ze zwegen over het voorval en vertelden in die tijd aan niemand wat ze hadden gezien.

Lucas 9:28-36

jelgerbijma

1 Ik ga staan op mijn wachttoren,
betrek mijn post op het bolwerk,
kijk uit om te zien wat de HEER mij zal zeggen,
wat Hij mij antwoordt op mijn verwijt.

2 Dit was het antwoord van de HEER.
Schrijf dit visioen op, grif het duidelijk in platen,
zodat het in een oogopslag te lezen is.
3 Het visioen wacht tot zijn tijd gekomen is,
het getuigt ervan, het liegt niet.
Ook al is het nog niet vervuld,
wacht maar, het komt zeker,
het zal niet uitblijven.

4 Wie niet oprecht is kwijnt weg,
maar de rechtvaardige zal leven door zijn trouw.

Habakuk 2:1-4

jelgerbijma

13 Immers, niet door de wet ontvingen Abraham en zijn nageslacht de belofte dat ze de wereld zouden erven, maar door de rechtvaardigheid die het geloof schenkt. 14 Als men op grond van het naleven van de wet erfgenaam zou zijn, zou het geloof zijn betekenis hebben verloren en de belofte zijn ontkracht. 15 De wet leidt er namelijk toe dat God straft; zonder wet is er ook geen overtreding. 16 Maar de belofte berust op geloof, omdat ze een geschenk van God moest zijn. Want zo is ze van kracht voor heel het nageslacht, niet alleen voor hen die de wet hebben maar ook voor wie delen in het geloof van Abraham, die de vader is van ons allen. 17 Er staat immers geschreven: ‘Ik maak je de vader van vele volken.’ En hij is dit ten overstaan van God, die de doden levend maakt en in het leven roept wat niet bestaat. In Hem stelde hij zijn vertrouwen. 18 Zelfs toen alle hoop vervlogen was, bleef Abraham hopen en geloven dat hij de vader van vele volken zou worden, zoals hem was beloofd: ‘Zo talrijk zullen je nakomelingen zijn.’ 19 Hij was al ongeveer honderd jaar oud, maar zijn geloof verzwakte niet als hij dacht aan zijn uitgeleefde lichaam en aan Sara’s dode schoot. 20 Hij twijfelde niet aan Gods belofte; zijn geloof verloor hij niet, integendeel, hij werd erin gesterkt en bewees zo eer aan God. 21 Hij was ervan overtuigd dat God bij machte was te doen wat Hij had beloofd, 22 en dat geloof werd hem als rechtvaardigheid toegerekend.

Romeinen 4:13-22

jelgerbijma

12 Kinderen, ik schrijf u dat uw zonden u vergeven zijn omwille van zijn naam. 13 Ik schrijf u, ouderen: u kent Hem die er is vanaf het begin. Ik schrijf u, jongeren: u hebt hem die het kwaad zelf is overwonnen. 14 Kinderen, ik schrijf u dus dat u de Vader kent. Ouderen, u schrijf ik: u kent Hem die er is vanaf het begin. Jongeren, u schrijf ik: u bent sterk, het woord van God blijft in u, en u hebt hem die het kwaad zelf is overwonnen.
15 Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem, 16 want alles wat in de wereld is – begeerte, inhaligheid, pronkzucht –, dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld. 17 De wereld met haar begeerte gaat voorbij, maar wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid.

1 Johannes 2:12-17

jelgerbijma

1 Toen Jezus hoorde dat aan de farizeeën verteld werd dat Hij meer leerlingen maakte en er ook meer doopte dan Johannes 2 – Jezus doopte overigens niet zelf, zijn leerlingen deden dat –, 3 verliet Hij Judea en ging weer naar Galilea. 4 Daarvoor moest Hij door Samaria heen. 5 Zo kwam Hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had, 6 waar de Jakobsbron is. Jezus was vermoeid van de reis en ging bij de bron zitten; het was rond het middaguur. 7 Toen kwam er een Samaritaanse vrouw water putten. Jezus zei tegen haar: ‘Geef Mij wat te drinken.’ 8 Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. 9 De vrouw antwoordde: ‘Hoe kunt U, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse!’ (Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om.) 10 Jezus zei tegen haar: ‘Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u Hém erom vragen en dan zou Hij u levend water geven.’ 11 ‘Maar heer,’ zei de vrouw, ‘U hebt geen emmer, en de put is diep – waar wilt U dan levend water vandaan halen? 12 U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.’ 13 Jezus antwoordde: ‘Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen, 14 maar wie het water drinkt dat Ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat Ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.

Johannes 4:1-14

jelgerbijma

8 Houd Jezus Christus in gedachten, Davids nakomeling, die uit de dood is opgewekt. Dit heb ik verkondigd, 9 en omwille van dit evangelie heb ik veel te verduren; ik ben zelfs als een misdadiger gevangengezet. Maar het woord van God laat zich niet gevangenzetten. 10 Daarom verdraag ik alles omwille van de uitverkorenen, opdat ook zij in Christus Jezus redding en eeuwige luister ontvangen. 11 Deze boodschap is betrouwbaar:
Als wij met Hem gestorven zijn,
zullen we ook met Hem leven;
12 als wij volharden,
zullen we ook met Hem heersen;
als wij Hem verloochenen,
zal Hij ons ook verloochenen;
13 als wij Hem ontrouw zijn,
blijft Hij ons trouw,
want zichzelf verloochenen kan Hij niet.

2 Timoteüs 2:8-13

jelgerbijma

1 Mozes was gewoon de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro, de Midjanitische priester, te weiden. Eens dreef hij de kudde ver de woestijn in, en zo kwam hij bij de Horeb, de berg van God. 2 Daar verscheen de engel van de HEER aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd. 3 Hoe kan het dat die struik niet verbrandt? dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken. 4 Maar toen de HEER zag dat Mozes dat ging doen, riep Hij hem vanuit de struik: ‘Mozes! Mozes!’ ‘Ja, ik luister,’ antwoordde Mozes. 5 ‘Kom niet dichterbij,’ waarschuwde de HEER, ‘en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. 6 Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken.
7 De HEER zei: ‘Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, Ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, Ik weet hoe ze lijden. 8 Daarom ben Ik afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden, en om hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land te brengen, een land dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. 9 De jammerklacht van de Israëlieten is tot Mij doorgedrongen en Ik heb gezien hoe wreed de Egyptenaren hen onderdrukken. 10 Daarom stuur Ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden.’
11 Mozes zei: ‘Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’ 12 God antwoordde: ‘Ik zal bij je zijn. En dit zal voor jou het teken zijn dat Ik je heb gestuurd: als je het volk uit Egypte hebt weggeleid, zullen jullie God bij deze berg vereren.’
13 Maar Mozes zei: ‘Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: “Wat is de naam van die God?” Wat moet ik dan zeggen?’ 14 Toen antwoordde God hem: ‘Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: “IK ZAL ER ZIJN heeft mij naar u toe gestuurd.”’ 15 Ook zei Hij tegen Mozes: ‘Zeg tegen hen: “De HEER heeft mij gestuurd, de God van uw voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. En Hij heeft gezegd: ‘Zo wil Ik voor altijd heten, met die naam wil Ik worden aangeroepen door alle komende generaties.’”

Exodus 3:1-15

jelgerbijma

11 Wie uw naam kent, Heer, kan op u vertrouwen, u verlaat niet wie u zoeken.

Psalmen 9:11

jelgerbijma

14 ‘Jubel, Sion, en verheug je, want Ik kom in jouw midden wonen – spreekt de HEER. 15 Er komt een tijd dat vele volken zich met de HEER zullen verbinden. Zij zullen mijn volk zijn, en in jouw midden zal Ik wonen.’ Dan zul je inzien dat de HEER van de hemelse machten mij naar je gezonden heeft. 16 Op heilige grond zal de HEER het volk van Juda tot zijn bezit maken en opnieuw zal Hij Jeruzalem uitverkiezen. 17 Wees stil voor de HEER, al wat leeft, want Hij komt uit zijn heilige woning naar buiten.

Zacharia 2:14-17