11 En dit zeg ik te meer, omdat wij de tijd weten, dat het de ure is dat wij nu uit den slaap ontwaken; want de zaligheid is ons nu nader dan toen wij eerst geloofd hebben.
12 De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabijgekomen. Laat ons dan afleggen de werken der duisternis, en aandoen de wapenen des lichts.
13 Laat ons eerlijk wandelen, als in den dag; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkamers en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid;
14 Maar doet aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden.
Romeinen 13:11-14
+0
jelgerbijma
12 Ik schrijf u dit allemaal, vrienden, omdat uw zonden vergeven zijn door wat Christus voor u heeft gedaan. 13 Ik schrijf dit allemaal, vaders, omdat u Christus kent, die er vanaf het begin geweest is. Ik schrijf dit allemaal, jongelui, omdat u het van de duivel hebt gewonnen. 14 Dus, kinderen, u kent de Vader. En vaders, u kent Christus, die er vanaf het begin geweest is. En, jongelui, u bent sterk, houd vast aan wat God heeft gezegd, u hebt het van de duivel gewonnen. 15 Houd niet van de zondige wereld en van wat die te bieden heeft, want als u van de wereld houdt, blijkt daaruit dat u de liefde van de Vader hebt afgewezen. 16 Alles wat van de wereld is—de zondige begeerten, de hebzucht en de hoogmoed, die door macht en bezit ontstaat—is er niet door de Vader, maar door de wereld. 17 Aan de wereld en haar zondige begeerten komt een einde, maar wie doet wat God wil, zal eeuwig blijven leven.
1 Johannes 2:12-17
+0
jelgerbijma
23 Dan hoeven jullie Mij niets meer te vragen. Werkelijk, Ik verzeker jullie, wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – Hij zal het je geven. 24 Tot nu toe hebben jullie niets in mijn naam gevraagd, maar vraag het en je zult het ontvangen. Dan zal je vreugde volkomen zijn.
25 Ik heb jullie dit alles in beelden verteld, maar er komt een tijd dat Ik niet meer in beelden spreek, maar jullie zonder omwegen over de Vader vertel. 26 Als je dan iets vraagt in mijn naam, hoef Ik het niet meer namens jullie aan de Vader te vragen, 27 want de Vader zelf heeft jullie lief, omdat jullie Mij liefhebben en geloven dat Ik van God ben gekomen. 28 Ik ben bij de Vader vandaan gegaan en naar de wereld gekomen, nu verlaat Ik de wereld weer en ga Ik terug naar de Vader.’
29 Toen zeiden de leerlingen: ‘Ja, nu spreekt U rechtstreeks en niet in beelden. 30 Nu begrijpen we dat U alles weet en dat niemand U iets hoeft te vragen, nu geloven we dat U van God bent gekomen.’ 31 Jezus vroeg: ‘Nu geloven jullie? 32 Er komt een tijd, en die tijd is er al, dat jullie uiteengejaagd worden, dat ieder zijn eigen weg gaat en Mij alleen achterlaat. Maar Ik ben niet alleen, want de Vader is bij Mij. 33 Ik heb dit gezegd opdat jullie vrede vinden bij Mij. Jullie zullen het zwaar te verduren krijgen in de wereld, maar houd moed: Ik heb de wereld overwonnen.’
Johannes 16:23-33
+0
jelgerbijma
1 Hierop antwoordde Job:
2 ‘Ook vandaag is mijn klacht een klacht vol bitterheid,
mijn hand kan mijn zuchten nauwelijks onderdrukken.
3 O, wist ik maar waar ik Hem kon vinden,
kon ik Hem maar opzoeken in zijn verblijf.
4 Dan zou ik mijn zaak aan Hem voorleggen
en het zou mij aan argumenten niet ontbreken.
5 Ik zou horen wat Hij mij te zeggen had
en begrijpen wat Hij tegen mij aanvoerde.
6 Zou Hij zijn macht gebruiken als Hij mij bestrijdt?
Nee, Hij zou aandachtig naar mij luisteren.
7 Dan kon ik, geheel oprecht, mijn zaak uiteenzetten,
ik zou voor altijd door mijn rechter worden vrijgesproken.
8 Maar ga ik naar het oosten – daar is Hij niet,
naar het westen – ik zie Hem nergens.
9 Verblijft Hij in het noorden – ik vind Hem niet,
toeft Hij in het zuiden – ik kan Hem niet ontdekken.
10 Maar Hij kent de wegen die ik kies;
als Hij me toetste, zou ik puur als goud zijn.
11 Ik ben in zijn spoor getreden,
zonder af te buigen volgde ik zijn weg.
12 De geboden die Hij voorschreef heb ik nageleefd,
de woorden die Hij sprak heb ik het meest van al gekoesterd.
13 Maar onwrikbaar als Hij is –
wie doet Hem op zijn schreden keren?
Al wat Hij verlangt, laat Hij gebeuren.
14 Wat Hij heeft besloten, voert Hij uit,
en Hij heeft nog veel meer plannen.
15 Daarom maakt zijn aanwezigheid mij zo beducht;
wanneer ik Hem beschouw, dan sidder ik.
16 God heeft mijn hart verzwakt,
de Ontzagwekkende heeft mij verlamd.
17 Want niet de duisternis brengt mij tot zwijgen,
niet het donker berooft mij van het gezicht.
Job 23
+0
jelgerbijma
11 Want dit gebod, dat ik u heden gebied, is voor u niet te moeilijk en het is niet ver weg.
12 Het is niet in de hemel, zodat gij zoudt zeggen: Wie zal voor ons naar de hemel opklimmen en het voor ons halen en het ons doen horen, opdat wij het doen?
13 Het is ook niet aan de overzijde der zee, zodat gij zoudt zeggen: Wie zal voor ons naar de overzijde der zee varen en het voor ons halen en het ons doen horen, opdat wij het doen?
14 Want dit woord is zeer nabij u, in uw mond en in uw hart, om het te doen.
Deuteronomium 30:11-14
+2
jelgerbijma
5 Zo kwam Hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had, 6 waar de Jakobsbron is. Jezus was vermoeid van de reis en ging bij de bron zitten; het was rond het middaguur. 7 Toen kwam er een Samaritaanse vrouw water putten. Jezus zei tegen haar: ‘Geef Mij wat te drinken.’ 8 Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. 9 De vrouw antwoordde: ‘Hoe kunt U, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse!’ (Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om.) 10 Jezus zei tegen haar: ‘Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u Hém erom vragen en dan zou Hij u levend water geven.’ 11 ‘Maar heer,’ zei de vrouw, ‘U hebt geen emmer, en de put is diep – waar wilt U dan levend water vandaan halen? 12 U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.’ 13 Jezus antwoordde: ‘Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen, 14 maar wie het water drinkt dat Ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat Ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.’ 15 ‘Geef mij dat water, heer,’ zei de vrouw, ‘dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten.’ 16 Toen zei Jezus tegen haar: ‘Ga uw man eens roepen en kom dan weer terug.’ 17 ‘Ik heb geen man,’ zei de vrouw. ‘U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt,’ zei Jezus, 18 ‘u hebt vijf mannen gehad, en degene die u nu hebt is uw man niet. Wat u zegt is waar.’ 19 Daarop zei de vrouw: ‘Ik begrijp dat U een profeet bent, heer. 20 Onze voorouders vereerden God op deze berg, en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden.’ 21 ‘Geloof Me,’ zei Jezus, ‘er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden. 22 Jullie vereren wat je niet kent, wij vereren wat we kennen; de redding komt immers van de Joden. 23 Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, Hem aanbidt vervuld van Geest en waarheid. De Vader zoekt mensen die Hem zo aanbidden, 24 want God is Geest, dus wie Hem aanbidt, moet dat doen vervuld van Geest en waarheid.’ 25 De vrouw zei: ‘Ik weet wel dat de messias zal komen,’ (dat betekent ‘gezalfde’) ‘wanneer hij komt zal hij ons alles vertellen.’ 26 Jezus zei tegen haar: ‘Ik ben het, degene die met u spreekt.’
1 Voor de koorleider. Op de wijs van De dood van de zoon. Een psalm van David.
2 Ik wil U loven, HEER, met heel mijn hart,
vertellen van uw wonderdaden.
3 Ik wil vrolijk zijn, voor U juichen,
uw naam bezingen, Allerhoogste,
4 nu mijn vijanden terugdeinzen,
ten val komen en onder uw blik vergaan.
5 Want U hebt mijn rechten verdedigd,
U nam plaats op uw zetel, rechtvaardige rechter.
6 U hebt volken bedreigd, goddelozen omgebracht,
hun namen uitgewist voor eeuwig.
7 De vijanden zijn verslagen, uit de herinnering verdwenen.
U vaagde hun steden weg: ruïnes voor altijd.
8 Zo vergaat het hun! Maar de HEER zetelt voor eeuwig,
zijn rechterstoel staat onwrikbaar vast.
9 Hij bestuurt de wereld naar recht en wet,
alle volken berecht Hij eerlijk.
10 Moge de HEER een burcht zijn voor de verdrukte,
een burcht in tijden van nood.
11 Wie uw naam kent, kan op U vertrouwen,
U verlaat niet wie U zoeken, HEER.
12 Zing voor de HEER die zetelt op de Sion,
maak aan de volken zijn daden bekend.
13 Hij wreekt vergoten bloed, gedenkt de doden,
de noodkreet van de nederigen vergeet Hij niet.
14 Heb erbarmen, HEER, zie hoe mijn haters mij kwellen,
draag mij weg van de poorten van de dood.
15 Dan kan ik vertellen van uw roemrijke daden,
juichen in de poorten van Sion: ‘U hebt mij gered!’
16 De volken verdwijnen in de kuil die zij groeven,
hun voet raakt verstrikt in het net dat zij heimelijk spanden.
17 De HEER maakt zich bekend en doet recht,
door zijn hand komt de goddeloze ten val. higgajon, sela
18 Laten de goddelozen weggaan naar het dodenrijk,
alle volken die God zijn vergeten.
19 Maar God vergeet de armen niet,
voor de zwakken is niet alle hoop verloren.
20 Sta op, HEER, laat de macht niet aan mensen.
Mogen de volken berecht worden in uw aanwezigheid.
21 Jaag ze angst aan, HEER,
zij moeten weten dat ze mensen zijn. sela
Psalmen 9
+0
jelgerbijma
27 Terwijl Hij dit zei, verhief een vrouw uit de menigte haar stem en riep tegen Hem: ‘Gelukkig de schoot die U gedragen heeft en de borsten waaraan U gedronken hebt!’ 28 Maar Hij zei: ‘Gelukkiger zijn zij die naar het woord van God luisteren en ernaar leven.’
Lucas 11:27-28
+1
jelgerbijma
1 Kinderen, ik schrijf u dit opdat u niet zondigt. Maar mocht een van u zondigen, dan hebben wij een pleitbezorger bij de Vader: Jezus Christus, de rechtvaardige. 2 Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden, en niet alleen voor die van ons, maar voor de zonden van de hele wereld.
3 Dat wij God kennen weten we doordat we ons aan zijn geboden houden. 4 Wie zegt: ‘Ik ken Hem,’ maar zich niet aan zijn geboden houdt, is een leugenaar; de waarheid is niet in hem. 5 In ieder die zich aan Gods woord houdt, is zijn liefde werkelijk tot volmaaktheid gekomen; hierdoor weten we dat we in Hem zijn. 6 Wie zegt in Hem te blijven, behoort in de voetsporen van Jezus te treden
1 Johannes 2:1-6
+0
jelgerbijma
17 Onderweg naar Jeruzalem nam Jezus de twaalf leerlingen apart. Hij zei tegen hen: 18 ‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, waar de Mensenzoon zal worden uitgeleverd aan de hogepriesters en de schriftgeleerden, die Hem ter dood zullen veroordelen. 19 Ze zullen Hem uitleveren aan de heidenen, en die zullen Hem bespotten, geselen en kruisigen. Maar op de derde dag zal Hij worden opgewekt uit de dood.’
Matteüs 20:17-19
+0
jelgerbijma
12 Wij vragen u, broeders en zusters, diegenen onder u te erkennen die zich op gezag van de Heer ervoor inzetten u te leiden en terecht te wijzen. 13 U moet hun om hun werk veel liefde en respect betonen. Leef in vrede met elkaar. 14 Wij sporen u aan, broeders en zusters, iedereen die zijn dagelijks werk verwaarloost terecht te wijzen, de moedelozen hoop te geven, op te komen voor de zwakken, met iedereen geduld te hebben. 15 Zie erop toe dat niemand kwaad met kwaad vergeldt en streef altijd naar het goede, zowel voor elkaar als voor ieder ander. 16 Wees altijd verheugd, 17 bid onophoudelijk, 18 dank God onder alle omstandigheden, want dat is wat Hij van u, die één bent met Christus Jezus, verlangt. 19 Doof de Geest niet uit 20 en heb geen minachting voor profetieën. 21 Onderzoek alles, behoud het goede 22 en vermijd alle kwaad, in welke vorm dan ook. 23 Moge de God van de vrede uw leven geheel en al heiligen, en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus. 24 Hij die u roept is trouw en komt zijn belofte na.
25 Broeders en zusters, bid ook voor ons 26 en groet elkaar met een heilige kus. 27 In de naam van de Heer verzoek ik u dringend deze brief voor te lezen aan alle broeders en zusters. 28 De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u.
1 Tessalonicenzen 5:12-28
+0
jelgerbijma
1 In het voorbijgaan zag Jezus iemand die al vanaf zijn geboorte blind was. 2 Zijn leerlingen vroegen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ 3 ‘Hij niet en zijn ouders ook niet,’ was het antwoord van Jezus, ‘maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden. 4 Zolang het dag is, moeten we het werk doen van Hem die Mij gezonden heeft; straks komt de nacht en dan kan niemand iets doen. 5 Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht voor de wereld.’ 6 Na deze woorden spuwde Hij op de grond. Met het speeksel maakte Hij wat modder, Hij streek die op de ogen van de blinde 7 en zei tegen hem: ‘Ga u wassen in het badhuis van Siloam.’ (Siloam is in onze taal ‘gezondene’.) De man ging weg, waste zich, en toen hij terugkwam kon hij zien.
8 Zijn buren en de mensen die hem kenden als bedelaar zeiden: ‘Is dat niet de man die altijd zat te bedelen?’ 9 De een zei: ‘Ja, die is het,’ en de ander: ‘Nee, maar hij lijkt er wel op.’ De man zelf zei: ‘Ik ben het echt.’ 10 Toen vroegen ze: ‘Hoe zijn je ogen opengegaan?’ 11 Hij zei: ‘Iemand die Jezus heet, maakte wat modder, streek die op mijn ogen en zei: “Ga naar Siloam om u te wassen.” Ik ging erheen, en toen ik me gewassen had kon ik zien.’ 12 Ze vroegen: ‘Waar is die man?’ ‘Dat weet ik niet,’ zei hij.
1 De HEER vroeg aan Samuel: ‘Hoe lang blijf je nog treuren om Saul, die Ik als koning van Israël verworpen heb? Kom, vul je hoorn met olie en ga voor Mij naar Isaï in Betlehem, want een van zijn zonen heb Ik als koning uitgekozen.’ 2 ‘Hoe kan ik dat nu doen?’ wierp Samuel tegen. ‘Saul zal me vermoorden als hij het hoort.’ De HEER antwoordde: ‘Neem een jonge koe mee en zeg dat je bent gekomen om de HEER een offer te brengen. 3 Nodig Isaï uit voor het offermaal, dan zal Ik je laten weten wat je doen moet. Wie Ik je aanwijs, die moet je voor Mij zalven.’ 4 Samuel deed wat de HEER had gezegd. Toen hij in Betlehem aankwam, kwamen de oudsten van de stad hem geschrokken tegemoet en vroegen: ‘Uw komst is toch geen slecht teken?’ 5 ‘Wees gerust,’ antwoordde Samuel. ‘Ik ben gekomen om de HEER een offer te brengen. Reinig u en neem met mij deel aan het offermaal.’ Ook Isaï en zijn zonen nodigde hij uit, en aan hen voltrok hij persoonlijk de reiniging. 6 Bij hun aankomst viel zijn oog meteen op Eliab, en hij zei bij zichzelf: Hij die daar klaarstaat is vast en zeker degene die de HEER wil zalven. 7 Maar de HEER zei tegen Samuel: ‘Ga niet af op zijn voorkomen en zijn rijzige gestalte. Ik heb hem afgewezen. Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart.’ 8 Toen riep Isaï Abinadab en stelde hem aan Samuel voor, maar die zei: ‘Ook hem heeft de HEER niet gekozen.’ 9 Isaï stelde Samma voor, maar weer zei Samuel: ‘Ook hem heeft de HEER niet gekozen.’ 10 Zo stelde Isaï zijn zeven zonen aan Samuel voor, maar telkens zei Samuel dat dit niet degene was die de HEER gekozen had. 11 ‘Zijn dit alle zonen die u hebt?’ vroeg hij. ‘Nee,’ antwoordde Isaï, ‘de jongste is er niet bij, die hoedt de schapen en de geiten.’ Toen zei Samuel tegen Isaï: ‘Laat hem hier komen. We beginnen niet aan de maaltijd voordat hij er is.’ 12 Isaï liet hem halen. Het was een knappe jongen met rossig haar en sprekende ogen. En de HEER zei: ‘Hem moet je zalven. Hij is het.’ 13 Samuel nam de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Van toen af aan was David doordrongen van de geest van de HEER. Daarna vertrok Samuel weer naar Rama.
1 Samuël 16:1-13
+0
jelgerbijma
1 ‘Leen mij uw oor, hemel, nu ik ga spreken,
luister, aarde, naar wat ik zeggen zal.
2 Moge mijn onderricht neerdalen als regen,
mogen mijn woorden zijn als milde dauw,
als regen op het jonge gras,
als regendruppels op het groen.
3 Want de naam van de HEER roep ik uit:
Hij is onze God, laat iedereen Hem prijzen!
4 Hij is een rots, Hij staat voor recht;
alles wat Hij doet is volmaakt.
Trouw is God, rechtvaardig en zuiver,
in Hem is geen spoor van kwaad.
Deuteronomium 32:1-4
+0
jelgerbijma
13 Ik vraag u dan ook de moed niet te verliezen wanneer ik lijd omwille van u, want het leidt tot uw luister.
14 Daarom buig ik mijn knieën voor de Vader, 15 die de vader is van elke gemeenschap in de hemelsferen en op aarde. 16 Moge Hij vanuit zijn rijke luister u innerlijke kracht en sterkte schenken door zijn Geest, 17 zodat door uw geloof Christus kan gaan wonen in uw hart, en u geworteld en gegrondvest blijft in de liefde.
Efeziërs 3:13-17
+0
jelgerbijma
13 Immers, niet door de wet ontvingen Abraham en zijn nageslacht de belofte dat ze de wereld zouden erven, maar door de rechtvaardigheid die het geloof schenkt. 14 Als men op grond van het naleven van de wet erfgenaam zou zijn, zou het geloof zijn betekenis hebben verloren en de belofte zijn ontkracht. 15 De wet leidt er namelijk toe dat God straft; zonder wet is er ook geen overtreding. 16 Maar de belofte berust op geloof, omdat ze een geschenk van God moest zijn. Want zo is ze van kracht voor heel het nageslacht, niet alleen voor hen die de wet hebben maar ook voor wie delen in het geloof van Abraham, die de vader is van ons allen. 17 Er staat immers geschreven: ‘Ik maak je de vader van vele volken.’ En hij is dit ten overstaan van God, die de doden levend maakt en in het leven roept wat niet bestaat. In Hem stelde hij zijn vertrouwen. 18 Zelfs toen alle hoop vervlogen was, bleef Abraham hopen en geloven dat hij de vader van vele volken zou worden, zoals hem was beloofd: ‘Zo talrijk zullen je nakomelingen zijn.’ 19 Hij was al ongeveer honderd jaar oud, maar zijn geloof verzwakte niet als hij dacht aan zijn uitgeleefde lichaam en aan Sara’s dode schoot. 20 Hij twijfelde niet aan Gods belofte; zijn geloof verloor hij niet, integendeel, hij werd erin gesterkt en bewees zo eer aan God. 21 Hij was ervan overtuigd dat God bij machte was te doen wat Hij had beloofd, 22 en dat geloof werd hem als rechtvaardigheid toegerekend.
Romeinen 4:13-22
+1
jelgerbijma
18 Wie is een God als U,
die schuld vergeeft
en aan zonde voorbijgaat?
U blijft niet woedend
op wie er van uw volk nog over zijn;
liever toont U hun uw trouw.
19 Opnieuw zult U zich over ons ontfermen
en al onze zonden tenietdoen.
Onze zonden werpt U in de diepten van de zee.
20 U bewijst Jakob uw trouw
en Abraham uw goedheid,
zoals U gezworen hebt aan onze voorouders,
in de dagen van weleer.
Micha 7:18-20
+0
jelgerbijma
1 Als Gods medewerkers sporen wij u dan ook aan: laat de goedheid die Hij u bewijst niet tevergeefs zijn. 2 God zegt: ‘Wanneer de tijd daarvoor gekomen is, luister Ik naar je, op de dag van de redding help Ik je.’ Nu is de tijd daarvoor gekomen, nu is de dag van de redding. 3 Om onze verkondiging niet te schaden geven wij niemand ook maar enige aanstoot. 4 Als dienaren van God bevelen wij onszelf juist aan door altijd in alles te volharden: in tegenspoed, nood en ellende, 5 onder lijfstraffen, in gevangenschap en onder volkswoede, onder zware inspanningen, slaapgebrek en honger, 6 door oprechtheid en kennis, door geduld en vriendelijkheid, door de gaven van de heilige Geest en ongeveinsde liefde, 7 door de verkondiging van de waarheid en de kracht van God. We vallen aan en verdedigen ons met de wapens van de gerechtigheid, 8 we worden geëerd en gesmaad, belasterd en geprezen. We worden bedriegers genoemd maar spreken de waarheid, 9 we zijn vreemdelingen maar toch bij iedereen bekend, we sterven maar toch leven we, we worden gestraft maar niet aan de dood prijsgegeven, 10 we hebben verdriet maar toch zijn we altijd verheugd, we zijn arm maar toch maken we velen rijk, we bezitten niets maar toch hebben we alles.
2 Korintiërs 6:1-10
+0
jelgerbijma
1 Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp waar Maria en haar zus Marta woonden – 2 dat was de Maria die Jezus met olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Lazarus was haar broer. 3 De zussen stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: ‘Heer, uw vriend is ziek.’ 4 Toen Jezus dit hoorde zei Hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden.’ 5 Jezus hield veel van Marta en haar zus, en van Lazarus. 6 Maar toen Hij gehoord had dat Lazarus ziek was, bleef Hij toch nog twee dagen waar Hij was. 7 Daarna zei Hij tegen zijn leerlingen: ‘Laten we teruggaan naar Judea.’ 8 ‘Maar rabbi,’ protesteerden de leerlingen, ‘de Joden wilden U stenigen, en nu wilt U daar toch weer naartoe?’ 9 Jezus zei: ‘Telt een dag niet twaalf uren? Wie overdag loopt, struikelt niet, want hij ziet het licht van deze wereld, 10 maar wie ’s nachts loopt, struikelt doordat hij geen licht heeft.’ 11 Nadat Hij dat gezegd had zei Hij: ‘Onze vriend Lazarus is ingeslapen, Ik ga hem wakker maken.’ 12 De leerlingen zeiden: ‘Als hij slaapt, zal hij wel beter worden, Heer.’ 13 Zij dachten dat Hij het over slapen had, terwijl Jezus bedoelde dat hij gestorven was. 14 Toen zei Hij hun ronduit: ‘Lazarus is gestorven, 15 en om jullie ben Ik blij dat Ik er niet bij was: nu kunnen jullie tot geloof komen. Laten we dan nu naar hem toe gaan.’ 16 Tomas (dat is Didymus, ‘tweeling’) zei tegen de anderen: ‘Laten ook wij maar gaan, om met Hem te sterven.’
17 Toen Jezus daar aankwam, hoorde Hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. 18 Betanië ligt dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadie, 19 en er waren dan ook veel Joden naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was. 20 Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze Hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef. 21 Marta zei tegen Jezus: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. 22 Maar zelfs nu weet ik dat God U alles zal geven wat U vraagt.’ 23 Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’ 24 ‘Ja,’ zei Marta, ‘ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’ 25 Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, 26 en ieder die leeft en in Mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’ 27 ‘Ja, Heer,’ zei ze, ‘ik geloof dat U de messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’
28 Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zus Maria apart en zei: ‘De meester is er, en Hij vraagt naar je.’ 29 Zodra Maria dit hoorde ging ze naar Jezus toe, 30 die nog niet in het dorp was, maar op de plek waar Marta Hem tegemoet was gekomen. 31 Toen de Joden die bij haar in huis waren om haar te troosten, Maria zo haastig zagen weggaan, liepen ze achter haar aan, want ze dachten dat ze naar het graf ging om daar te weeklagen.
32 Zodra Maria op de plek kwam waar Jezus was en Hem zag, viel ze aan zijn voeten neer. Ze zei: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!’ 33 Jezus zag hoe zij en de Joden die bij haar waren weeklaagden, en Hij ergerde zich. Diep bewogen 34 vroeg Hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’ 35 Jezus begon te huilen, 36 en de Joden zeiden: ‘Wat heeft Hij veel van hem gehouden!’ 37 Maar er werd ook gezegd: ‘Hij heeft de ogen van een blinde geopend, Hij had nu toch ook de dood van Lazarus kunnen voorkomen?’ 38 Weer ergerde Jezus zich. Hij liep naar het graf, een spelonk met een steen voor de opening. 39 Hij zei: ‘Haal de steen weg.’ Marta, de zus van de dode, zei: ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’ 40 Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je gelooft?’ 41 Toen haalden ze de steen weg. Daarop keek Hij omhoog en zei: ‘Vader, Ik dank U dat U Mij hebt verhoord. 42 U verhoort Mij altijd, dat weet Ik, maar Ik zeg dit ter wille van al deze mensen hier, opdat ze zullen geloven dat U Mij gezonden hebt.’ 43 Daarna riep Hij luid: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ 44 De dode kwam tevoorschijn, zijn handen en voeten in linnen gewikkeld, en zijn gezicht bedekt door een doek. Jezus zei tegen de omstanders: ‘Maak de doeken los, en laat hem gaan.’
45 Veel Joden die naar Maria toe gekomen waren en gezien hadden wat Jezus deed, kwamen tot geloof in Hem.
Johannes 11:1-45
+0
jelgerbijma
1 Een loflied van David.
U, mijn God en koning, wil ik roemen,
uw naam prijzen tot in eeuwigheid.
2 Elke dag opnieuw wil ik U prijzen,
uw naam loven tot in eeuwigheid:
3 ‘Groot is de HEER, Hem komt alle lof toe,
zijn grootheid is niet te doorgronden.’
4 Laat geslacht na geslacht uw schepping bezingen,
uw machtige daden verkondigen.
5 Laten zij spreken over de glorie van uw majesteit,
ook ik wil uw wonderen bekendmaken.
6 Laten zij getuigen van uw geduchte daden,
ook ik wil van uw grootheid vertellen.
7 Laten zij de roem van uw goedheid verbreiden,
uw gerechtigheid bejubelen:
8 ‘Genadig en liefdevol is de HEER,
Hij blijft geduldig en groot is zijn trouw.
9 Goed is de HEER voor alles en allen,
Hij ontfermt zich over heel zijn schepping.’
10 Laten al uw schepselen U loven, HEER,
en uw getrouwen U prijzen.
11 Laten zij getuigen van de luister van uw koningschap,
spreken over uw machtige werken,
12 aan de stervelingen uw machtige daden verkondigen,
de glorie en de glans van uw koningschap:
13 ‘Uw koningschap omspant de eeuwen,
uw heerschappij omvat alle geslachten.’
14 ‘Een steun is de HEER voor wie is gevallen,
wie gebukt gaat richt Hij op.
15 Allen zien hoopvol naar U uit,
U geeft voedsel, op de juiste tijd.
16 Gul is uw hand geopend,
U vervult het verlangen van alles wat leeft.
17 Rechtvaardig is de HEER in alles wat Hij doet,
heel zijn schepping blijft Hij trouw.
18 Allen die Hem aanroepen is de HEER nabij,
die Hem roepen in vast vertrouwen.
19 Hij vervult het verlangen van wie Hem eren,
Hij hoort hun klacht en komt te hulp.
20 De HEER waakt over wie Hem liefhebben,
maar goddelozen vaagt Hij weg.’
21 Laat zó mijn mond de lof spreken van de HEER,
en alles wat leeft zijn heilige naam prijzen,
tot in eeuwigheid.
11 En dit zeg ik te meer, omdat wij de tijd weten, dat het de ure is dat wij nu uit den slaap ontwaken; want de zaligheid is ons nu nader dan toen wij eerst geloofd hebben.
12 De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabijgekomen. Laat ons dan afleggen de werken der duisternis, en aandoen de wapenen des lichts.
13 Laat ons eerlijk wandelen, als in den dag; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkamers en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid;
14 Maar doet aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden.
Romeinen 13:11-14
12 Ik schrijf u dit allemaal, vrienden, omdat uw zonden vergeven zijn door wat Christus voor u heeft gedaan. 13 Ik schrijf dit allemaal, vaders, omdat u Christus kent, die er vanaf het begin geweest is. Ik schrijf dit allemaal, jongelui, omdat u het van de duivel hebt gewonnen. 14 Dus, kinderen, u kent de Vader. En vaders, u kent Christus, die er vanaf het begin geweest is. En, jongelui, u bent sterk, houd vast aan wat God heeft gezegd, u hebt het van de duivel gewonnen. 15 Houd niet van de zondige wereld en van wat die te bieden heeft, want als u van de wereld houdt, blijkt daaruit dat u de liefde van de Vader hebt afgewezen. 16 Alles wat van de wereld is—de zondige begeerten, de hebzucht en de hoogmoed, die door macht en bezit ontstaat—is er niet door de Vader, maar door de wereld. 17 Aan de wereld en haar zondige begeerten komt een einde, maar wie doet wat God wil, zal eeuwig blijven leven.
1 Johannes 2:12-17
23 Dan hoeven jullie Mij niets meer te vragen. Werkelijk, Ik verzeker jullie, wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – Hij zal het je geven. 24 Tot nu toe hebben jullie niets in mijn naam gevraagd, maar vraag het en je zult het ontvangen. Dan zal je vreugde volkomen zijn.
25 Ik heb jullie dit alles in beelden verteld, maar er komt een tijd dat Ik niet meer in beelden spreek, maar jullie zonder omwegen over de Vader vertel. 26 Als je dan iets vraagt in mijn naam, hoef Ik het niet meer namens jullie aan de Vader te vragen, 27 want de Vader zelf heeft jullie lief, omdat jullie Mij liefhebben en geloven dat Ik van God ben gekomen. 28 Ik ben bij de Vader vandaan gegaan en naar de wereld gekomen, nu verlaat Ik de wereld weer en ga Ik terug naar de Vader.’
29 Toen zeiden de leerlingen: ‘Ja, nu spreekt U rechtstreeks en niet in beelden. 30 Nu begrijpen we dat U alles weet en dat niemand U iets hoeft te vragen, nu geloven we dat U van God bent gekomen.’ 31 Jezus vroeg: ‘Nu geloven jullie? 32 Er komt een tijd, en die tijd is er al, dat jullie uiteengejaagd worden, dat ieder zijn eigen weg gaat en Mij alleen achterlaat. Maar Ik ben niet alleen, want de Vader is bij Mij. 33 Ik heb dit gezegd opdat jullie vrede vinden bij Mij. Jullie zullen het zwaar te verduren krijgen in de wereld, maar houd moed: Ik heb de wereld overwonnen.’
Johannes 16:23-33
1 Hierop antwoordde Job:
2 ‘Ook vandaag is mijn klacht een klacht vol bitterheid,
mijn hand kan mijn zuchten nauwelijks onderdrukken.
3 O, wist ik maar waar ik Hem kon vinden,
kon ik Hem maar opzoeken in zijn verblijf.
4 Dan zou ik mijn zaak aan Hem voorleggen
en het zou mij aan argumenten niet ontbreken.
5 Ik zou horen wat Hij mij te zeggen had
en begrijpen wat Hij tegen mij aanvoerde.
6 Zou Hij zijn macht gebruiken als Hij mij bestrijdt?
Nee, Hij zou aandachtig naar mij luisteren.
7 Dan kon ik, geheel oprecht, mijn zaak uiteenzetten,
ik zou voor altijd door mijn rechter worden vrijgesproken.
8 Maar ga ik naar het oosten – daar is Hij niet,
naar het westen – ik zie Hem nergens.
9 Verblijft Hij in het noorden – ik vind Hem niet,
toeft Hij in het zuiden – ik kan Hem niet ontdekken.
10 Maar Hij kent de wegen die ik kies;
als Hij me toetste, zou ik puur als goud zijn.
11 Ik ben in zijn spoor getreden,
zonder af te buigen volgde ik zijn weg.
12 De geboden die Hij voorschreef heb ik nageleefd,
de woorden die Hij sprak heb ik het meest van al gekoesterd.
13 Maar onwrikbaar als Hij is –
wie doet Hem op zijn schreden keren?
Al wat Hij verlangt, laat Hij gebeuren.
14 Wat Hij heeft besloten, voert Hij uit,
en Hij heeft nog veel meer plannen.
15 Daarom maakt zijn aanwezigheid mij zo beducht;
wanneer ik Hem beschouw, dan sidder ik.
16 God heeft mijn hart verzwakt,
de Ontzagwekkende heeft mij verlamd.
17 Want niet de duisternis brengt mij tot zwijgen,
niet het donker berooft mij van het gezicht.
Job 23
11 Want dit gebod, dat ik u heden gebied, is voor u niet te moeilijk en het is niet ver weg.
12 Het is niet in de hemel, zodat gij zoudt zeggen: Wie zal voor ons naar de hemel opklimmen en het voor ons halen en het ons doen horen, opdat wij het doen?
13 Het is ook niet aan de overzijde der zee, zodat gij zoudt zeggen: Wie zal voor ons naar de overzijde der zee varen en het voor ons halen en het ons doen horen, opdat wij het doen?
14 Want dit woord is zeer nabij u, in uw mond en in uw hart, om het te doen.
Deuteronomium 30:11-14
5 Zo kwam Hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had, 6 waar de Jakobsbron is. Jezus was vermoeid van de reis en ging bij de bron zitten; het was rond het middaguur. 7 Toen kwam er een Samaritaanse vrouw water putten. Jezus zei tegen haar: ‘Geef Mij wat te drinken.’ 8 Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. 9 De vrouw antwoordde: ‘Hoe kunt U, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse!’ (Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om.) 10 Jezus zei tegen haar: ‘Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u Hém erom vragen en dan zou Hij u levend water geven.’ 11 ‘Maar heer,’ zei de vrouw, ‘U hebt geen emmer, en de put is diep – waar wilt U dan levend water vandaan halen? 12 U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.’ 13 Jezus antwoordde: ‘Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen, 14 maar wie het water drinkt dat Ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat Ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.’ 15 ‘Geef mij dat water, heer,’ zei de vrouw, ‘dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten.’ 16 Toen zei Jezus tegen haar: ‘Ga uw man eens roepen en kom dan weer terug.’ 17 ‘Ik heb geen man,’ zei de vrouw. ‘U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt,’ zei Jezus, 18 ‘u hebt vijf mannen gehad, en degene die u nu hebt is uw man niet. Wat u zegt is waar.’ 19 Daarop zei de vrouw: ‘Ik begrijp dat U een profeet bent, heer. 20 Onze voorouders vereerden God op deze berg, en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden.’ 21 ‘Geloof Me,’ zei Jezus, ‘er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden. 22 Jullie vereren wat je niet kent, wij vereren wat we kennen; de redding komt immers van de Joden. 23 Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, Hem aanbidt vervuld van Geest en waarheid. De Vader zoekt mensen die Hem zo aanbidden, 24 want God is Geest, dus wie Hem aanbidt, moet dat doen vervuld van Geest en waarheid.’ 25 De vrouw zei: ‘Ik weet wel dat de messias zal komen,’ (dat betekent ‘gezalfde’) ‘wanneer hij komt zal hij ons alles vertellen.’ 26 Jezus zei tegen haar: ‘Ik ben het, degene die met u spreekt.’
Johannes 4:5-26
https://www.kerkomroep.nl/kerken/10630/audio/live
1 Voor de koorleider. Op de wijs van De dood van de zoon. Een psalm van David.
2 Ik wil U loven, HEER, met heel mijn hart,
vertellen van uw wonderdaden.
3 Ik wil vrolijk zijn, voor U juichen,
uw naam bezingen, Allerhoogste,
4 nu mijn vijanden terugdeinzen,
ten val komen en onder uw blik vergaan.
5 Want U hebt mijn rechten verdedigd,
U nam plaats op uw zetel, rechtvaardige rechter.
6 U hebt volken bedreigd, goddelozen omgebracht,
hun namen uitgewist voor eeuwig.
7 De vijanden zijn verslagen, uit de herinnering verdwenen.
U vaagde hun steden weg: ruïnes voor altijd.
8 Zo vergaat het hun! Maar de HEER zetelt voor eeuwig,
zijn rechterstoel staat onwrikbaar vast.
9 Hij bestuurt de wereld naar recht en wet,
alle volken berecht Hij eerlijk.
10 Moge de HEER een burcht zijn voor de verdrukte,
een burcht in tijden van nood.
11 Wie uw naam kent, kan op U vertrouwen,
U verlaat niet wie U zoeken, HEER.
12 Zing voor de HEER die zetelt op de Sion,
maak aan de volken zijn daden bekend.
13 Hij wreekt vergoten bloed, gedenkt de doden,
de noodkreet van de nederigen vergeet Hij niet.
14 Heb erbarmen, HEER, zie hoe mijn haters mij kwellen,
draag mij weg van de poorten van de dood.
15 Dan kan ik vertellen van uw roemrijke daden,
juichen in de poorten van Sion: ‘U hebt mij gered!’
16 De volken verdwijnen in de kuil die zij groeven,
hun voet raakt verstrikt in het net dat zij heimelijk spanden.
17 De HEER maakt zich bekend en doet recht,
door zijn hand komt de goddeloze ten val. higgajon, sela
18 Laten de goddelozen weggaan naar het dodenrijk,
alle volken die God zijn vergeten.
19 Maar God vergeet de armen niet,
voor de zwakken is niet alle hoop verloren.
20 Sta op, HEER, laat de macht niet aan mensen.
Mogen de volken berecht worden in uw aanwezigheid.
21 Jaag ze angst aan, HEER,
zij moeten weten dat ze mensen zijn. sela
Psalmen 9
27 Terwijl Hij dit zei, verhief een vrouw uit de menigte haar stem en riep tegen Hem: ‘Gelukkig de schoot die U gedragen heeft en de borsten waaraan U gedronken hebt!’ 28 Maar Hij zei: ‘Gelukkiger zijn zij die naar het woord van God luisteren en ernaar leven.’
Lucas 11:27-28
1 Kinderen, ik schrijf u dit opdat u niet zondigt. Maar mocht een van u zondigen, dan hebben wij een pleitbezorger bij de Vader: Jezus Christus, de rechtvaardige. 2 Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden, en niet alleen voor die van ons, maar voor de zonden van de hele wereld.
3 Dat wij God kennen weten we doordat we ons aan zijn geboden houden. 4 Wie zegt: ‘Ik ken Hem,’ maar zich niet aan zijn geboden houdt, is een leugenaar; de waarheid is niet in hem. 5 In ieder die zich aan Gods woord houdt, is zijn liefde werkelijk tot volmaaktheid gekomen; hierdoor weten we dat we in Hem zijn. 6 Wie zegt in Hem te blijven, behoort in de voetsporen van Jezus te treden
1 Johannes 2:1-6
17 Onderweg naar Jeruzalem nam Jezus de twaalf leerlingen apart. Hij zei tegen hen: 18 ‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, waar de Mensenzoon zal worden uitgeleverd aan de hogepriesters en de schriftgeleerden, die Hem ter dood zullen veroordelen. 19 Ze zullen Hem uitleveren aan de heidenen, en die zullen Hem bespotten, geselen en kruisigen. Maar op de derde dag zal Hij worden opgewekt uit de dood.’
Matteüs 20:17-19
12 Wij vragen u, broeders en zusters, diegenen onder u te erkennen die zich op gezag van de Heer ervoor inzetten u te leiden en terecht te wijzen. 13 U moet hun om hun werk veel liefde en respect betonen. Leef in vrede met elkaar. 14 Wij sporen u aan, broeders en zusters, iedereen die zijn dagelijks werk verwaarloost terecht te wijzen, de moedelozen hoop te geven, op te komen voor de zwakken, met iedereen geduld te hebben. 15 Zie erop toe dat niemand kwaad met kwaad vergeldt en streef altijd naar het goede, zowel voor elkaar als voor ieder ander. 16 Wees altijd verheugd, 17 bid onophoudelijk, 18 dank God onder alle omstandigheden, want dat is wat Hij van u, die één bent met Christus Jezus, verlangt. 19 Doof de Geest niet uit 20 en heb geen minachting voor profetieën. 21 Onderzoek alles, behoud het goede 22 en vermijd alle kwaad, in welke vorm dan ook. 23 Moge de God van de vrede uw leven geheel en al heiligen, en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus. 24 Hij die u roept is trouw en komt zijn belofte na.
25 Broeders en zusters, bid ook voor ons 26 en groet elkaar met een heilige kus. 27 In de naam van de Heer verzoek ik u dringend deze brief voor te lezen aan alle broeders en zusters. 28 De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u.
1 Tessalonicenzen 5:12-28
1 In het voorbijgaan zag Jezus iemand die al vanaf zijn geboorte blind was. 2 Zijn leerlingen vroegen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ 3 ‘Hij niet en zijn ouders ook niet,’ was het antwoord van Jezus, ‘maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden. 4 Zolang het dag is, moeten we het werk doen van Hem die Mij gezonden heeft; straks komt de nacht en dan kan niemand iets doen. 5 Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht voor de wereld.’ 6 Na deze woorden spuwde Hij op de grond. Met het speeksel maakte Hij wat modder, Hij streek die op de ogen van de blinde 7 en zei tegen hem: ‘Ga u wassen in het badhuis van Siloam.’ (Siloam is in onze taal ‘gezondene’.) De man ging weg, waste zich, en toen hij terugkwam kon hij zien.
8 Zijn buren en de mensen die hem kenden als bedelaar zeiden: ‘Is dat niet de man die altijd zat te bedelen?’ 9 De een zei: ‘Ja, die is het,’ en de ander: ‘Nee, maar hij lijkt er wel op.’ De man zelf zei: ‘Ik ben het echt.’ 10 Toen vroegen ze: ‘Hoe zijn je ogen opengegaan?’ 11 Hij zei: ‘Iemand die Jezus heet, maakte wat modder, streek die op mijn ogen en zei: “Ga naar Siloam om u te wassen.” Ik ging erheen, en toen ik me gewassen had kon ik zien.’ 12 Ze vroegen: ‘Waar is die man?’ ‘Dat weet ik niet,’ zei hij.
Johannes 9:1-12
https://www.kerkomroep.nl/kerken/10630/audio/2603150947 vanaf 41:30
1 De HEER vroeg aan Samuel: ‘Hoe lang blijf je nog treuren om Saul, die Ik als koning van Israël verworpen heb? Kom, vul je hoorn met olie en ga voor Mij naar Isaï in Betlehem, want een van zijn zonen heb Ik als koning uitgekozen.’ 2 ‘Hoe kan ik dat nu doen?’ wierp Samuel tegen. ‘Saul zal me vermoorden als hij het hoort.’ De HEER antwoordde: ‘Neem een jonge koe mee en zeg dat je bent gekomen om de HEER een offer te brengen. 3 Nodig Isaï uit voor het offermaal, dan zal Ik je laten weten wat je doen moet. Wie Ik je aanwijs, die moet je voor Mij zalven.’ 4 Samuel deed wat de HEER had gezegd. Toen hij in Betlehem aankwam, kwamen de oudsten van de stad hem geschrokken tegemoet en vroegen: ‘Uw komst is toch geen slecht teken?’ 5 ‘Wees gerust,’ antwoordde Samuel. ‘Ik ben gekomen om de HEER een offer te brengen. Reinig u en neem met mij deel aan het offermaal.’ Ook Isaï en zijn zonen nodigde hij uit, en aan hen voltrok hij persoonlijk de reiniging. 6 Bij hun aankomst viel zijn oog meteen op Eliab, en hij zei bij zichzelf: Hij die daar klaarstaat is vast en zeker degene die de HEER wil zalven. 7 Maar de HEER zei tegen Samuel: ‘Ga niet af op zijn voorkomen en zijn rijzige gestalte. Ik heb hem afgewezen. Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart.’ 8 Toen riep Isaï Abinadab en stelde hem aan Samuel voor, maar die zei: ‘Ook hem heeft de HEER niet gekozen.’ 9 Isaï stelde Samma voor, maar weer zei Samuel: ‘Ook hem heeft de HEER niet gekozen.’ 10 Zo stelde Isaï zijn zeven zonen aan Samuel voor, maar telkens zei Samuel dat dit niet degene was die de HEER gekozen had. 11 ‘Zijn dit alle zonen die u hebt?’ vroeg hij. ‘Nee,’ antwoordde Isaï, ‘de jongste is er niet bij, die hoedt de schapen en de geiten.’ Toen zei Samuel tegen Isaï: ‘Laat hem hier komen. We beginnen niet aan de maaltijd voordat hij er is.’ 12 Isaï liet hem halen. Het was een knappe jongen met rossig haar en sprekende ogen. En de HEER zei: ‘Hem moet je zalven. Hij is het.’ 13 Samuel nam de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Van toen af aan was David doordrongen van de geest van de HEER. Daarna vertrok Samuel weer naar Rama.
1 Samuël 16:1-13
1 ‘Leen mij uw oor, hemel, nu ik ga spreken,
luister, aarde, naar wat ik zeggen zal.
2 Moge mijn onderricht neerdalen als regen,
mogen mijn woorden zijn als milde dauw,
als regen op het jonge gras,
als regendruppels op het groen.
3 Want de naam van de HEER roep ik uit:
Hij is onze God, laat iedereen Hem prijzen!
4 Hij is een rots, Hij staat voor recht;
alles wat Hij doet is volmaakt.
Trouw is God, rechtvaardig en zuiver,
in Hem is geen spoor van kwaad.
Deuteronomium 32:1-4
13 Ik vraag u dan ook de moed niet te verliezen wanneer ik lijd omwille van u, want het leidt tot uw luister.
14 Daarom buig ik mijn knieën voor de Vader, 15 die de vader is van elke gemeenschap in de hemelsferen en op aarde. 16 Moge Hij vanuit zijn rijke luister u innerlijke kracht en sterkte schenken door zijn Geest, 17 zodat door uw geloof Christus kan gaan wonen in uw hart, en u geworteld en gegrondvest blijft in de liefde.
Efeziërs 3:13-17
13 Immers, niet door de wet ontvingen Abraham en zijn nageslacht de belofte dat ze de wereld zouden erven, maar door de rechtvaardigheid die het geloof schenkt. 14 Als men op grond van het naleven van de wet erfgenaam zou zijn, zou het geloof zijn betekenis hebben verloren en de belofte zijn ontkracht. 15 De wet leidt er namelijk toe dat God straft; zonder wet is er ook geen overtreding. 16 Maar de belofte berust op geloof, omdat ze een geschenk van God moest zijn. Want zo is ze van kracht voor heel het nageslacht, niet alleen voor hen die de wet hebben maar ook voor wie delen in het geloof van Abraham, die de vader is van ons allen. 17 Er staat immers geschreven: ‘Ik maak je de vader van vele volken.’ En hij is dit ten overstaan van God, die de doden levend maakt en in het leven roept wat niet bestaat. In Hem stelde hij zijn vertrouwen. 18 Zelfs toen alle hoop vervlogen was, bleef Abraham hopen en geloven dat hij de vader van vele volken zou worden, zoals hem was beloofd: ‘Zo talrijk zullen je nakomelingen zijn.’ 19 Hij was al ongeveer honderd jaar oud, maar zijn geloof verzwakte niet als hij dacht aan zijn uitgeleefde lichaam en aan Sara’s dode schoot. 20 Hij twijfelde niet aan Gods belofte; zijn geloof verloor hij niet, integendeel, hij werd erin gesterkt en bewees zo eer aan God. 21 Hij was ervan overtuigd dat God bij machte was te doen wat Hij had beloofd, 22 en dat geloof werd hem als rechtvaardigheid toegerekend.
Romeinen 4:13-22
18 Wie is een God als U,
die schuld vergeeft
en aan zonde voorbijgaat?
U blijft niet woedend
op wie er van uw volk nog over zijn;
liever toont U hun uw trouw.
19 Opnieuw zult U zich over ons ontfermen
en al onze zonden tenietdoen.
Onze zonden werpt U in de diepten van de zee.
20 U bewijst Jakob uw trouw
en Abraham uw goedheid,
zoals U gezworen hebt aan onze voorouders,
in de dagen van weleer.
Micha 7:18-20
1 Als Gods medewerkers sporen wij u dan ook aan: laat de goedheid die Hij u bewijst niet tevergeefs zijn. 2 God zegt: ‘Wanneer de tijd daarvoor gekomen is, luister Ik naar je, op de dag van de redding help Ik je.’ Nu is de tijd daarvoor gekomen, nu is de dag van de redding. 3 Om onze verkondiging niet te schaden geven wij niemand ook maar enige aanstoot. 4 Als dienaren van God bevelen wij onszelf juist aan door altijd in alles te volharden: in tegenspoed, nood en ellende, 5 onder lijfstraffen, in gevangenschap en onder volkswoede, onder zware inspanningen, slaapgebrek en honger, 6 door oprechtheid en kennis, door geduld en vriendelijkheid, door de gaven van de heilige Geest en ongeveinsde liefde, 7 door de verkondiging van de waarheid en de kracht van God. We vallen aan en verdedigen ons met de wapens van de gerechtigheid, 8 we worden geëerd en gesmaad, belasterd en geprezen. We worden bedriegers genoemd maar spreken de waarheid, 9 we zijn vreemdelingen maar toch bij iedereen bekend, we sterven maar toch leven we, we worden gestraft maar niet aan de dood prijsgegeven, 10 we hebben verdriet maar toch zijn we altijd verheugd, we zijn arm maar toch maken we velen rijk, we bezitten niets maar toch hebben we alles.
2 Korintiërs 6:1-10
1 Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp waar Maria en haar zus Marta woonden – 2 dat was de Maria die Jezus met olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Lazarus was haar broer. 3 De zussen stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: ‘Heer, uw vriend is ziek.’ 4 Toen Jezus dit hoorde zei Hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden.’ 5 Jezus hield veel van Marta en haar zus, en van Lazarus. 6 Maar toen Hij gehoord had dat Lazarus ziek was, bleef Hij toch nog twee dagen waar Hij was. 7 Daarna zei Hij tegen zijn leerlingen: ‘Laten we teruggaan naar Judea.’ 8 ‘Maar rabbi,’ protesteerden de leerlingen, ‘de Joden wilden U stenigen, en nu wilt U daar toch weer naartoe?’ 9 Jezus zei: ‘Telt een dag niet twaalf uren? Wie overdag loopt, struikelt niet, want hij ziet het licht van deze wereld, 10 maar wie ’s nachts loopt, struikelt doordat hij geen licht heeft.’ 11 Nadat Hij dat gezegd had zei Hij: ‘Onze vriend Lazarus is ingeslapen, Ik ga hem wakker maken.’ 12 De leerlingen zeiden: ‘Als hij slaapt, zal hij wel beter worden, Heer.’ 13 Zij dachten dat Hij het over slapen had, terwijl Jezus bedoelde dat hij gestorven was. 14 Toen zei Hij hun ronduit: ‘Lazarus is gestorven, 15 en om jullie ben Ik blij dat Ik er niet bij was: nu kunnen jullie tot geloof komen. Laten we dan nu naar hem toe gaan.’ 16 Tomas (dat is Didymus, ‘tweeling’) zei tegen de anderen: ‘Laten ook wij maar gaan, om met Hem te sterven.’
17 Toen Jezus daar aankwam, hoorde Hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. 18 Betanië ligt dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadie, 19 en er waren dan ook veel Joden naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was. 20 Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze Hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef. 21 Marta zei tegen Jezus: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. 22 Maar zelfs nu weet ik dat God U alles zal geven wat U vraagt.’ 23 Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’ 24 ‘Ja,’ zei Marta, ‘ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’ 25 Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, 26 en ieder die leeft en in Mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’ 27 ‘Ja, Heer,’ zei ze, ‘ik geloof dat U de messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’
28 Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zus Maria apart en zei: ‘De meester is er, en Hij vraagt naar je.’ 29 Zodra Maria dit hoorde ging ze naar Jezus toe, 30 die nog niet in het dorp was, maar op de plek waar Marta Hem tegemoet was gekomen. 31 Toen de Joden die bij haar in huis waren om haar te troosten, Maria zo haastig zagen weggaan, liepen ze achter haar aan, want ze dachten dat ze naar het graf ging om daar te weeklagen.
32 Zodra Maria op de plek kwam waar Jezus was en Hem zag, viel ze aan zijn voeten neer. Ze zei: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!’ 33 Jezus zag hoe zij en de Joden die bij haar waren weeklaagden, en Hij ergerde zich. Diep bewogen 34 vroeg Hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’ 35 Jezus begon te huilen, 36 en de Joden zeiden: ‘Wat heeft Hij veel van hem gehouden!’ 37 Maar er werd ook gezegd: ‘Hij heeft de ogen van een blinde geopend, Hij had nu toch ook de dood van Lazarus kunnen voorkomen?’ 38 Weer ergerde Jezus zich. Hij liep naar het graf, een spelonk met een steen voor de opening. 39 Hij zei: ‘Haal de steen weg.’ Marta, de zus van de dode, zei: ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’ 40 Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je gelooft?’ 41 Toen haalden ze de steen weg. Daarop keek Hij omhoog en zei: ‘Vader, Ik dank U dat U Mij hebt verhoord. 42 U verhoort Mij altijd, dat weet Ik, maar Ik zeg dit ter wille van al deze mensen hier, opdat ze zullen geloven dat U Mij gezonden hebt.’ 43 Daarna riep Hij luid: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ 44 De dode kwam tevoorschijn, zijn handen en voeten in linnen gewikkeld, en zijn gezicht bedekt door een doek. Jezus zei tegen de omstanders: ‘Maak de doeken los, en laat hem gaan.’
45 Veel Joden die naar Maria toe gekomen waren en gezien hadden wat Jezus deed, kwamen tot geloof in Hem.
Johannes 11:1-45
1 Een loflied van David.
U, mijn God en koning, wil ik roemen,
uw naam prijzen tot in eeuwigheid.
2 Elke dag opnieuw wil ik U prijzen,
uw naam loven tot in eeuwigheid:
3 ‘Groot is de HEER, Hem komt alle lof toe,
zijn grootheid is niet te doorgronden.’
4 Laat geslacht na geslacht uw schepping bezingen,
uw machtige daden verkondigen.
5 Laten zij spreken over de glorie van uw majesteit,
ook ik wil uw wonderen bekendmaken.
6 Laten zij getuigen van uw geduchte daden,
ook ik wil van uw grootheid vertellen.
7 Laten zij de roem van uw goedheid verbreiden,
uw gerechtigheid bejubelen:
8 ‘Genadig en liefdevol is de HEER,
Hij blijft geduldig en groot is zijn trouw.
9 Goed is de HEER voor alles en allen,
Hij ontfermt zich over heel zijn schepping.’
10 Laten al uw schepselen U loven, HEER,
en uw getrouwen U prijzen.
11 Laten zij getuigen van de luister van uw koningschap,
spreken over uw machtige werken,
12 aan de stervelingen uw machtige daden verkondigen,
de glorie en de glans van uw koningschap:
13 ‘Uw koningschap omspant de eeuwen,
uw heerschappij omvat alle geslachten.’
14 ‘Een steun is de HEER voor wie is gevallen,
wie gebukt gaat richt Hij op.
15 Allen zien hoopvol naar U uit,
U geeft voedsel, op de juiste tijd.
16 Gul is uw hand geopend,
U vervult het verlangen van alles wat leeft.
17 Rechtvaardig is de HEER in alles wat Hij doet,
heel zijn schepping blijft Hij trouw.
18 Allen die Hem aanroepen is de HEER nabij,
die Hem roepen in vast vertrouwen.
19 Hij vervult het verlangen van wie Hem eren,
Hij hoort hun klacht en komt te hulp.
20 De HEER waakt over wie Hem liefhebben,
maar goddelozen vaagt Hij weg.’
21 Laat zó mijn mond de lof spreken van de HEER,
en alles wat leeft zijn heilige naam prijzen,
tot in eeuwigheid.
Psalmen 145