|
Ontstaan
In den beginne was er een studentenvereniging, Hendrik de Cock. Hendrik nu was woest en ledig.
Tenminste, dat was in de jaren zestig de gedachte van een aantal leden over de vereniging.
Zij vonden dat het gereformeerde karakter van Hendrik de Cock was aangetast.
De Vereniging was in 1947 opgericht in nauwe verbondenheid met
de gereformeerde kerken vrijgemaakt. Het jaarverslag 1947-48
meldt (zie ook de Reformatie van 15 mei 1948): "Willen we
teruggaan tot de voorhistorie van onze vereniging, dan is deze
het best te dateren op augustus 1944, het jaar van de wederkeer
in onze Gereformeerde Kerken. Daar begint ook de Reformatie van
het Gereformeerde studentenleven, omdat daar de terugkeer tot
Gods Woord begint, die wel doorwerken moest, ook in het
Gereformeerde studentenleven."
In de jaren zestig kwam er vanuit de vereniging kritiek op
deze verbondenheid met de vrijgemaakte kerk, die "zich niet
als kerk gedroeg, maar als fascistisch systeem waarin men
nauwelijks kon ademhalen." Deze kritiek hing samen met
ontwikkelingen binnen het kerkverband zelf. In 1964 verwierp de
synode van Rotterdam-Delfshaven de bezwaren tegen de schorsing
van ds. van der Ziel uit Groningen-Zuid. Deze was geschorst omdat
hij in 1962 tegen een verbod van de kerkenraad in,
samensprekingen had gehouden met de synodaal-gereformeerden.
Uiteindelijk had dit conflict een scheuring binnen de
vrijgemaakte kerk tot gevolg. Ook binnen Hendrik de Cock werkte
de scheuring door. Een aantal leden werd 'buiten verband' . Zo
raakte de vereniging in conflict met haar statuten die de
vereniging aan de vrijgemaakte kerk verbond. In 1964 was in het
Gereformeerd Interfacultair tijdschrift al opgemerkt "dat velen
niet principieel staan achter het kerkelijk karakter van de
vereniging." Ook werd daar bezorgd aan toegevoegd "dat
meer dan de helft der vereniging min of meer geregeld de bioscoop
bezoekt en dat bezwaren tegen de dans afnemen."
Begin 1966 werden de statuten en met name die waarin het
kerkgebonden lidmaatschap was vastgelegd, door de senaat
officieel ter discussie gesteld. Het grootste deel van Hendrik de
Cock wilde daar vanaf. Twaalf leden spraken hierop in een motie
hun verontrusting uit over het ondermijnen van de statuten. Deze
motie werd op de huishoudelijke vergadering van 3 juni 1966 met
ruime meerderheid van stemmen verworpen. Een voorstel om de
discussie over de statuten voort te zetten werd echter wel
aangenomen. Zo ontstond een grote kloof tussen "de
verontrusten" en de vereniging. Eerstgenoemden richtten
daarom op 23 juni 1966 de Gereformeerde Studenten Vereniging op.
In hetzelfde jaar stelde Hendrik de Cock zich officieel open.
Ontwikkeling t/m 2004
Zo werd de GSV dus de nieuwe ‘vrijgemaakte studentenvereniging’
in Groningen. Ook op de GSV echter kwam het kerkgebonden lidmaatschap al
gauw onder druk te staan. In 1980 werd dan ook een ‘gastlidmaatschap’
ingesteld. Leden van een andere kerk konden wel meedraaien op de vereniging,
maar hadden in veel opzichten beperkingen.
In de loop der jaren werd de roep tot openstelling van de GSV echter steeds
groter. In december 1996 werd door de Senaat een discussie omtrent kerkgebonden
lidmaatschap opnieuw opgezet. Een grote meerderheid bleek voor een gelijkschakeling
van gastleden en volwaardig leden. Om dit te bereiken moest echter unanimiteit
voor een dergelijk voorstel bereikt worden. Omdat het afschaffen van deze ‘
unanimiteitseis’ mislukte, werd al gauw duidelijk dat openstelling van de
baan was. Uiteindelijk kon dan ook alleen maar besloten worden om de beperkingen
van gastleden te verminderen. Gastleden mochten alleen geen deel uitmaken van
de Senaat en mochten niet stemmen over statutenwijzigingen.
In 2003 werd de discussie echter opnieuw opgestart. Na een uitgebreide bezinning
op de verenigingsidentiteit werd duidelijk dat de GSV zich vooral zou moeten richten
op haar vier ‘pijlers’: christelijk, sociaal, intellectueel en studentikoos.
Deze vier basisingrediënten bleken onmisbaar voor de GSV. Wat er precies met het
‘gereformeerd vrijgemaakte’ gedaan moest worden bleef omstreden. Nadat de
Senaat in april 2004 echter met succes de unanimiteitseis wist te verruimen, kwam er
meer openheid voor discussie over het lidmaatschapsbeleid. Een wijziging van de
lidmaatschapscriteria behoefde nu ‘slechts’ een meerderheid van 7/8 van de
stemmen. In juni 2004 werden echter alsnog alle zes ‘openstellinsvoorstellen’
verworpen, waarbij twee het op een haar na het gehaald hadden. Op de eerstvolgende HV
werd dan ook een nieuw voorstel gedaan, namelijk om aankomend leden een
‘Intentieverklaring
’ te laten afleggen. Hierin moeten ze onder andere aangeven
achter de gereformeerde verenigingsidentiteit te staan.
Dit voorstel werd met overgrote meerderheid aangenomen, waarmee de GSV na 38 jaar afscheid
nam van haar kerkgebonden lidmaatschap.
Volgens de Senaat was deze stap een belangrijke ‘verzelfstandiging’ van de
vereniging. De GSV was niet zozeer meer een ‘verlengstuk van de kerk’, maar
koos er nu voor om een zelfstandige organisatie te zijn met een duidelijke
‘gereformeerde’ identiteit.
Iedereen die past bij die verenigingsidentiteit kan nu dus volwaardig lid worden.
En nu…
In de voorbije jaren heeft de Gereformeerde Studenten Vereniging ondanks haar gereformeerde
karakter een ander gezicht gekregen dan in 1966. Een illustratie: in 1967 werd het besluit
genomen dat het ‘kaartspel niet ter sociëteit uit te oefenen.’ In 1994 werd dat
besluit verworpen en werd de senaat zelfs opgedragen om er zorg voor te dragen dat er elk
jaar een klaverjascompetitie georganiseerd werd. De eenheid in levensstijl zoals in 1966
is nu dus lang niet zo duidelijk meer. Dit komt vandaag de dag tot uiting in een grote
diversiteit in denken, juist ook over geloofszaken en kerkleer. Dat noodzaakt je om een
positie in te nemen, wat de GSV zo leerzaam maakt!
|